Elke zaterdagmiddag maakte ik een boswandeling. Of het weer nou slecht of goed was, dat maakte niet uit. Dan liep ik naar die grote oude bomen en vond haar zittend op een tak. Ze lachte dan naar mij en haar blik maakte aankomende week goed. Omdat ik haar niet durfde aan te spreken, bleef het daarbij. Vrolijk geworden rende ik terug naar huis, met het beeld van haar lach vlak voor mijn ogen.
Op een dag moedigde ik mezelf aan een gesprek met haar te beginnen. Ik voelde zoveel voor haar, dat ik verlangde haar beter te leren kennen.
“Evert,” zei ik tot mezelf, “Evert, als je nu niets doet wordt ze onbereikbaar. Langzaam zal ze uit je leven verdwijnen.”
Dus ging ik zoals iedere zaterdagmiddag op weg naar het bos en liep tot aan de grote oude bomen, maar dit keer was haar tak leeg. Misschien was ze nog thuis, maar waar woonde ze? Waarschijnlijk ergens in de bomen, of in een hol onder de grond. Zoeken had geen zin, dus bleef ik wachten, misschien kwam ze later. Om me heen kijkend, want ik wist niet waar ze vandaan zou komen, viel mijn oog op de varens, waar lang rood haar overheen hing. Voorzichtig kwam ik dichterbij en zag dat haar normaal zo fel rode wangen hun kleur hadden verloren. Ik bevrijdde haar van de puntige houten stok en legde haar op een open plek in het gras. Het groene gras kleurde rood.
Mijn tranen vielen op haar gezicht waar een tevreden uitdrukking op verscheen. Ze leek anders te kijken dan daarvoor, met minder pijn.
Een egel had mijn gehuil opgemerkt. En was naast me gaan zitten.
“We kunnen haar misschien nog redden.” zei ze.
“Nee,” antwoordde ik,”zie je het niet? Ze is dood.”
“Stel dat je de wond kunt hechten. Misschien springt ze dan direct in je armen.”
De wind speelde een treurige melodie, waarop de grassprieten traag dansten.
“Ze is dood. We kunnen niets meer doen.”
“Ook al zou iets in je gedachte niet kunnen,” vertelde de egel, “dan hoeft dat nog niet zo te zijn. Geloof in wat je doet en ze zal beter worden. Echt waar!” En ze gaf me een van haar stekels als naald om de wonden mee dicht te naaien.
Samen met de egel ging ik naar de rand van het bos. Daar was een wei, waar schapen graasden. We vroegen de schapen om wol, maar geen van de schapen wilden geven.
“De winter is in zicht en dan is het koud zonder vacht.”
“Met wat over is brei ik een trui, die je kunt aantrekken, wanneer de kou over het weiland trekt.”
Toch wilde de schapen niet geven. “Hoe kunnen we zekerheid hebben dat je ons een trui geeft?”
Een spin die op een paaltje het gesprek zat af te luisteren, mengde zich in het gesprek. Hij zei: “Laat die schapen maar, ze hebben het te druk met henzelf en hun eigen warmte, maar ik wil voor jou mijn allerstevigste draad ooit spinnen.”
De spin reisde op mijn hand mee, terwijl we terug gingen naar de open plek. Het gras ruiste nog steeds in de wind, verder was er niets te horen. Met behulp van het draad dat de spin gesponnen had en de stekel, die ik van de egel gekregen had naaide ik de wonden netjes dicht, maar zij kwam niet tot leven. Onder de schaduwen van de wolken leek ze nog minder kleur te hebben en op de momenten dat de zon een kort moment op haar kon schijnen, had ze een blauw paarse gloed over zich.
“Er is niets meer aan te doen.” zuchtte ik diep. De egel zuchtte met me mee en zei dat ze het ook niet meer wist. Maar de spin kwam met een idee. “Vraag het de wind.”
“De wind?” vroeg ik,” maar wat moet ik de wind vragen?”
“Haar leven terug in haar lichaam te blazen.”
“Hoe?”
“Klim in de hoogste boom. Houdt je goed vast, zodat je niet weggeblazen wordt en vraag het met op een trage duidelijke toon. Praat hard, maar schreeuw niet, anders zou de wind weleens kwaad kunnen worden.”
Toen klom ik in de hoogste boom van het bos en daar schreeuwde ik: “Wind! Wind!”
Maar er kwam geen reactie.
Dus ik probeerde het nog een keer en daarna kwam weer geen reactie.
Ontmoedigd klom ik naar beneden. Daar vroeg de egel: “En, is het gelukt?”
“Natuurlijk is het gelukt,” antwoordde de spin.
“Nee,” knikte ik, “helaas, de wind luisterde niet naar mij.”
“Dan moet je beter je best doen.” zei de spin en stuurde me terug de boom in.
Dit keer riep ik minder luid, maar had toch het gevoel dat het duidelijker over kwam.
“Wind wind.”
“Wat wil je van mij?”
“Er ligt een meisje dood in het gras. Wij, de egel, de spin en ik, hebben er alles aan gedaan om haar het leven terug te geven. We hebben al haar wonden gehecht, maar ze wil nog steeds niet ademen.”
“Kom eens ter zake.” blies de wind. De tak waar ik op zat boog wild op en neer, zodat ik er bijna af viel. “Wat wil je dat ik voor je doe?”
“Ik begrijp dat ik maar heel klein en nietig ben vergeleken met u, wind. Maar toch wil ik u graag om een gunst vragen.”
“Ik vraag het nog eenmaal.” De winde blies nu zo hard, dat de top van de boom, bijna tegen de grond aan zwiepte. Mijn beide armen en beide benen hield ik om de tak heengeslagen en tot mijn verbazing werd ik niet gelanceerd om ergens kilometers verder op de grond te belanden. “Wat wil je van mij?”
“Kun je het leven terug in haar blazen?”
De wind leek te gaan liggen en beneden aangekomen was het volledig wind stil. Toch was het geritsel van het gras, harder hoorbaar dan eerst.
Bij de open plek aangekomen verscholen de egel, de spin en ik ons achter een paar struiken. De wind ging daar zo tekeer, dat we niet verder durfden te gaan. Het gras werd met wortel en al uit de grond getrokken en samen met al het vuil en al het zand en zelfs het lichaam van de jonge vrouw, zweefde het tot enkele meters boven de grond. En toen liet de wind alles vallen.
Nog voor we de jonge vrouw naderde voelde ik al dat ze nog steeds niet leefde.
De egel en de spin wisten het nu ook niet meer. We hadden alles gedaan wat we konden doen en toch had niets geholpen.
De egel begon een holletje te graven, waar we haar lichaam in konden begraven. De spin borduurde een lapje met tekst voor op haar graf en vroeg om haar naam.
“Ik weet het niet,” zei ik, “we lachten altijd naar elkaar en haar lach zorgde er voor dat de hele week goed verliep, maar ik durfde haar nooit aan te spreken.”
“Jullie band was misschien niet sterk genoeg. Had haar naam maar gekend, dan had ze weer geleefd.”
“Dan hebben we nog een kans.” mengde de egel zich in het gesprek.
“Nee, we hebben alles gedaan wat maar mogelijk was.” antwoordde de spin, “we kunnen haar maar beter zo snel mogelijk begraven.”
De egel vroeg mij: “Hoe denk je dat zij heette?”
“Ik zou het echt niet weten. Ik heb je toch al verteld dat ik dat nooit heb durven vragen.”
“Als je echt van haar hield, dan kun haar naam zo noemen. Dan voel je hoe ze heette.”
Ik dacht diep na en zag haar in gedachten weer zitten op de tak in die grote oude boom. Met haar lange rode haren die iets onder deze tak uitkwamen. Haar grijsgroene ogen keken me vriendelijk aan. Ik zag haar glimlach, dat deed me goed. Met haar rode wangen zag ze er weer helemaal gezond uit. En ik riep: “Roos!”
Op dat moment kreeg haar lichaam weer kleur, haar wangen werden weer rood. Ze begon te ademen en riep uit terwijl ze op me afstormde: “Evert!”
“Je kent me?” vroeg ik.
“Natuurlijk ken ik je.”
We sprongen in elkaars armen en lieten elkaar niet meer los.
dinsdag 16 december 2008
Abonneren op:
Reacties (Atom)