"Lees alsjeblieft nog een verhaal voor." vroeg Bart Balisicum aan zijn moeder.
Moeder klapte het boek dicht en gaf haar zoon een kus voor het slapen gaan.
"Maar dat is geen verhaal."
"Het was een heel kort verhaal."
Natuurlijk was Bart er niet mee eens, hij protesteerde, "Als je geen verhaal voorleest, ga ik ook niet slapen."
Moeder liet hem de bladzijde zien waar het verhaal op stond, wat ze voorgelezen had. Het was een witte, lege, kale bladzijde.
"Maar dat is toch geen verhaal?"
"Jawel hoor en zo droevig dat ze de woorden niet eens hebben opgeschreven."
"Er staat wel een plaatje bij."
"Oh ja?" Moeder was verbaasd. Waar kwam dat plaatje nou weer vandaan.
Op de bladzijde stond een kleine blauwe streep van een pen. Zo'n klein streepje, die moest zich zeker wel heel erg eenzaam voelen op zo'n grote kale vlakte.
Bart was een beetje verlegen en op school speelde hij altijd alleen, alsof niemand begreep dat hij er meer moeite mee had om met andere te praten. Eigenlijk was hij net dat eenzaam streepje.
Er kwam een traan op zijn wangen.
"Is er iets?" vroeg moeder.
"Mag iets om mee te tekenen?"
Moeder gaf haar zoon een potlood.
Bart zette een streep naast de eenzame streep.
"Nou is hij niet meer alleen."
Moeder keek haar zoon met een trotse blik aan. "Nou heb je het verdrietige verhaal een positief einde gegeven." Ze gaf hem een kus.
"Welterusten."
"Welterusten."
maandag 5 december 2011
woensdag 25 mei 2011
Ralph
“Zet me hier maar af.” zei Ralph. Met een lachend gezicht vertrok hij. En ik zei niets.
De hele tijd onderweg zei ik niets.
Ik had spijt dat ik mee was gegaan. Spijt dat ik hem had opgehaald.
“Ben je moe?” vroeg hij nog.
“Laten we het daar op houden.”
Ik had het misschien best gezellig gevonden die dag. Maar helaas was Ralph aanwezig. Ralph met zijn aanstellerig gedrag. Ralph die constant in de belangstelling wilde staan.
De enige leuke grap die hij vertelde was mijn grap. Ik bedenk iets, misschien denk ik wel hardop ofzo, maar op een één of andere manier komt het bij Ralph terecht, die de grap aan de groep gaat vertellen. Bedankt daarvoor.
Op mijn telefoon verscheen een bericht. Ik had geen zin om hem te openen, omdat ik reed en het daarom niet echt veilig is, zeker in een bochtige weg midden in het bos, maar vooral omdat ik er toen ook echt geen zin in had.
Waarom zou ik kijken? Ik verwachtte niets. Ik had de hele avond niets gezegd. Niemand had wat aan mij gehad. Ik had één grap kunnen maken, maar die werd me ontnomen.
Misschien lag het aan mij en was ik moe. Dat behoorde inderdaad tot de mogelijkheden. Ik had een nogal drukke werkweek achter de rug en door de druk had ik een aantal fouten gemaakt, die het bedrijf behoorlijk veel had gekost. En ik zat nog in mijn proeftijd. Een aantal nachten had ik niet geslapen en aan het eind van de week gaat het moeite kosten om te doen alsof je je goed voelt.
Ik voelde me goed. Ik had tegen iedereen geglimlacht en tegen niemand iets gezegd.
Plotseling stond ik stil. Iets liep over de weg. Ik keek er goed naar, het leek meer op springen. Het bos leek ook donkerder dan anders, daarom dat ik zo schrok. Het was een kikker, die de weg over stak.
Ik dacht bij mezelf, “Als die kikker Ralph was geweest, was ik doorgereden.” Maar ik kon niet meer bij de gedachte waarom ik een hekel had aan Ralph.
Waarschijnlijk was het mijn eigen vermoeidheid en ik probeerde de gedachte om Ralph dood te rijden uit mijn hoofd te krijgen.
“Als het Ralph was geweest, kreeg hij een lift naar huis.” Toen opende ik de deur. De kikker sprong naar binnen.
“Kan die kikker mij horen, ofzo?” Hij sprong op de stoel naast me en ging daar netjes zitten, alsof hij wist hoe je in een auto hoort te zitten.
“Als die kikker Ralph is, krijgt hij een lift naar huis.”
Dus ik reed terug en zette de kikker bij Ralph thuis af. Toen ik aanbelde met de kikker in mijn hand was hij niet blij.
“Het is drie uur ‘s nachts. Ik lig al een paar uur in bed.”
“Sorry dat ik je wakker maak, maar ik kom de kikker thuis brengen.”
“Kikker? Zei je nou kikker?” Hij keek me vragend aan.
“Ja, deze kikker.” Ik vouwde mijn hand open en wees de kikker aan.
“Wat moet ik met een kikker?”
“Nou, ik breng hem naar huis.”
“Ga een ander lopen vervelen.” Hij was al niet blij, omdat ik hem uit bed gebeld had, maar langzaam begon hij kwaad te worden.
“Waarom wordt je nou boos?” vroeg ik. En toen begon hij tegen mij uit te vallen.
Het was dat hij met me mee reed, dat hij zich had ingehouden afgelopen avond, maar ik was de sfeerverpester op het feest. Daar kwamen zijn woorden in het kort op neer.
“Maar je hoeft geen kikker?” vroeg ik.
De deur werd met een klap, bijna tegen mijn neus aan, dichtgesmeten.
Terwijl ik terugliep naar mijn auto, dacht ik “wat nu?, nou loop ik hier met een kikker en in mijn telefoon staat nog een ongelezen bericht.” Niet dat het wat met elkaar te maken had, maar toen ik in de auto zat besloot ik het bericht te lezen.
“Hou van je, liefs Bloesem”
Het kwam niet van een nummer dat in mijn telefoonboek stond. Wie was bloesem?
Was ze één van de meisjes op het feest en zo ja, wie. Al kon ik niet begrijpen dat er iemand was, omdat ik niemand gesproken had. Het was zeker geen Ysa. Ze mag mij niet en ik mag haar niet. Die ijzige blik die ze iedereen toewerpt en die bemoeizucht van haar, dat is helemaal niets voor mij. Hopelijk was het geen Ysa.
Dan nog beter Truitje. Een meisje waar het woord aardig voor uitgevonden is. Heette ze echt Truitje. Het zal wel, iedereen noemde haar zo. Ik kende haar niet zo, maar ze was altijd en overal, tegen iedereen even vriendelijk. Gewoon aardig dus, niet zo heel speciaal.
Maar wie was Bloesem? Ik kende geen meisje met die naam. Misschien was Bloesem de kikker. Ik kreeg het bericht iets voor dat de kikker over stak. Dat zou betekenen dat als ik de kikker zou gaan kussen, het verandert in een prachtige prinses.
Ik was alleen en voelde me soms eenzaam, dus waarom niet proberen.
Met beiden handen hield ik de kikker vast en bracht haar naar mijn mond. En van mijn mond af. Ik kon een misselijk gevoel niet onderdrukken. Terwijl ik de kikker aanschouwde en dacht dat ik die zometeen zou gaan kussen, voelde ik het eten van afgelopen dag omhoog komen.
Niet denken, gewoon doen. Ik moest er doorheen, want dan zat er een prinses naast me in de auto.
Met dichtgeknepen ogen gaf ik de kikker een zoen.
Vol verbazing keek ik naar haar. “Dus jij bent Bloesem?”
En zo zag ze er ook uit als een Bloesem. D’r haren fel rood. Haar ogen glinsterde in het maanlicht, die door de voorruit van mijn auto scheen. Ik werd er ook een beetje bang voor, dat ze tegen het einde van de lente zou gaan verdorren, zoals echte bloesems ook doen.
Het duurde even voor ze antwoord gaf. Misschien was ze ook zo verbaast dat ze opeens bij mij in de auto zat. Maar uiteindelijk zag ik, hoewel wat aarzelend, haar mond bewegen. Er kwam een luid geluid uit. Iets van “Kwaaak!”
Ik keek verschrikt naar Bloesem, maar naast me zat een gewone kikker. Die kikker bracht ik naar de plek waar hij in mijn auto sprong en daar liet ik hem weer los.
Onderweg naar huis, vroeg ik met nog steeds af wie Bloesem was en waarom die kikker in mijn auto gesprongen was. Het leek zo vreemd. Misschien had ik het gedroomt? Misschien had ik slaap nodig?
De hele tijd onderweg zei ik niets.
Ik had spijt dat ik mee was gegaan. Spijt dat ik hem had opgehaald.
“Ben je moe?” vroeg hij nog.
“Laten we het daar op houden.”
Ik had het misschien best gezellig gevonden die dag. Maar helaas was Ralph aanwezig. Ralph met zijn aanstellerig gedrag. Ralph die constant in de belangstelling wilde staan.
De enige leuke grap die hij vertelde was mijn grap. Ik bedenk iets, misschien denk ik wel hardop ofzo, maar op een één of andere manier komt het bij Ralph terecht, die de grap aan de groep gaat vertellen. Bedankt daarvoor.
Op mijn telefoon verscheen een bericht. Ik had geen zin om hem te openen, omdat ik reed en het daarom niet echt veilig is, zeker in een bochtige weg midden in het bos, maar vooral omdat ik er toen ook echt geen zin in had.
Waarom zou ik kijken? Ik verwachtte niets. Ik had de hele avond niets gezegd. Niemand had wat aan mij gehad. Ik had één grap kunnen maken, maar die werd me ontnomen.
Misschien lag het aan mij en was ik moe. Dat behoorde inderdaad tot de mogelijkheden. Ik had een nogal drukke werkweek achter de rug en door de druk had ik een aantal fouten gemaakt, die het bedrijf behoorlijk veel had gekost. En ik zat nog in mijn proeftijd. Een aantal nachten had ik niet geslapen en aan het eind van de week gaat het moeite kosten om te doen alsof je je goed voelt.
Ik voelde me goed. Ik had tegen iedereen geglimlacht en tegen niemand iets gezegd.
Plotseling stond ik stil. Iets liep over de weg. Ik keek er goed naar, het leek meer op springen. Het bos leek ook donkerder dan anders, daarom dat ik zo schrok. Het was een kikker, die de weg over stak.
Ik dacht bij mezelf, “Als die kikker Ralph was geweest, was ik doorgereden.” Maar ik kon niet meer bij de gedachte waarom ik een hekel had aan Ralph.
Waarschijnlijk was het mijn eigen vermoeidheid en ik probeerde de gedachte om Ralph dood te rijden uit mijn hoofd te krijgen.
“Als het Ralph was geweest, kreeg hij een lift naar huis.” Toen opende ik de deur. De kikker sprong naar binnen.
“Kan die kikker mij horen, ofzo?” Hij sprong op de stoel naast me en ging daar netjes zitten, alsof hij wist hoe je in een auto hoort te zitten.
“Als die kikker Ralph is, krijgt hij een lift naar huis.”
Dus ik reed terug en zette de kikker bij Ralph thuis af. Toen ik aanbelde met de kikker in mijn hand was hij niet blij.
“Het is drie uur ‘s nachts. Ik lig al een paar uur in bed.”
“Sorry dat ik je wakker maak, maar ik kom de kikker thuis brengen.”
“Kikker? Zei je nou kikker?” Hij keek me vragend aan.
“Ja, deze kikker.” Ik vouwde mijn hand open en wees de kikker aan.
“Wat moet ik met een kikker?”
“Nou, ik breng hem naar huis.”
“Ga een ander lopen vervelen.” Hij was al niet blij, omdat ik hem uit bed gebeld had, maar langzaam begon hij kwaad te worden.
“Waarom wordt je nou boos?” vroeg ik. En toen begon hij tegen mij uit te vallen.
Het was dat hij met me mee reed, dat hij zich had ingehouden afgelopen avond, maar ik was de sfeerverpester op het feest. Daar kwamen zijn woorden in het kort op neer.
“Maar je hoeft geen kikker?” vroeg ik.
De deur werd met een klap, bijna tegen mijn neus aan, dichtgesmeten.
Terwijl ik terugliep naar mijn auto, dacht ik “wat nu?, nou loop ik hier met een kikker en in mijn telefoon staat nog een ongelezen bericht.” Niet dat het wat met elkaar te maken had, maar toen ik in de auto zat besloot ik het bericht te lezen.
“Hou van je, liefs Bloesem”
Het kwam niet van een nummer dat in mijn telefoonboek stond. Wie was bloesem?
Was ze één van de meisjes op het feest en zo ja, wie. Al kon ik niet begrijpen dat er iemand was, omdat ik niemand gesproken had. Het was zeker geen Ysa. Ze mag mij niet en ik mag haar niet. Die ijzige blik die ze iedereen toewerpt en die bemoeizucht van haar, dat is helemaal niets voor mij. Hopelijk was het geen Ysa.
Dan nog beter Truitje. Een meisje waar het woord aardig voor uitgevonden is. Heette ze echt Truitje. Het zal wel, iedereen noemde haar zo. Ik kende haar niet zo, maar ze was altijd en overal, tegen iedereen even vriendelijk. Gewoon aardig dus, niet zo heel speciaal.
Maar wie was Bloesem? Ik kende geen meisje met die naam. Misschien was Bloesem de kikker. Ik kreeg het bericht iets voor dat de kikker over stak. Dat zou betekenen dat als ik de kikker zou gaan kussen, het verandert in een prachtige prinses.
Ik was alleen en voelde me soms eenzaam, dus waarom niet proberen.
Met beiden handen hield ik de kikker vast en bracht haar naar mijn mond. En van mijn mond af. Ik kon een misselijk gevoel niet onderdrukken. Terwijl ik de kikker aanschouwde en dacht dat ik die zometeen zou gaan kussen, voelde ik het eten van afgelopen dag omhoog komen.
Niet denken, gewoon doen. Ik moest er doorheen, want dan zat er een prinses naast me in de auto.
Met dichtgeknepen ogen gaf ik de kikker een zoen.
Vol verbazing keek ik naar haar. “Dus jij bent Bloesem?”
En zo zag ze er ook uit als een Bloesem. D’r haren fel rood. Haar ogen glinsterde in het maanlicht, die door de voorruit van mijn auto scheen. Ik werd er ook een beetje bang voor, dat ze tegen het einde van de lente zou gaan verdorren, zoals echte bloesems ook doen.
Het duurde even voor ze antwoord gaf. Misschien was ze ook zo verbaast dat ze opeens bij mij in de auto zat. Maar uiteindelijk zag ik, hoewel wat aarzelend, haar mond bewegen. Er kwam een luid geluid uit. Iets van “Kwaaak!”
Ik keek verschrikt naar Bloesem, maar naast me zat een gewone kikker. Die kikker bracht ik naar de plek waar hij in mijn auto sprong en daar liet ik hem weer los.
Onderweg naar huis, vroeg ik met nog steeds af wie Bloesem was en waarom die kikker in mijn auto gesprongen was. Het leek zo vreemd. Misschien had ik het gedroomt? Misschien had ik slaap nodig?
zaterdag 1 januari 2011
Tante zet koffie
Het is zaterdagmiddag half drie. Zoals gewoonlijk verwacht Tante dan een hoop bezoek. Ze heeft dan altijd de koffie klaarstaan en soms, ik denk ongeveer één keer per twee maanden kom ik langs. Dan zie ik dat alle stoelen in het huis rondom de kleine houten salontafel in de woonkamer zijn geplaatst.
Het is een groot oud huis waar ze in woont. In de zomer is het benauwd en heet en in de winter lijkt het alsof er een koude ijzige wind door het huis heen waait. Het huis ziet er mooi uit van buiten, maar erg comfortabel is het niet. En daar woont ze al jaren alleen, afgelegen in een groot bos. Het schijnt dat ze op doordeweekse dagen constant naar buiten kijkt in de richting van het pad dat op de straat uit komt, alsof ze iemand verwacht. Iemand die jaren niet is op komen dagen.
Ze is al erg oud. Hoe oud, weet ik niet, maar heel oud in ieder geval. Ze is ook geen familie van me, maar ze wilt graag dat iedereen haar Tante noemt. Dus ik noem haar Tante.
De koffie is altijd goed. Ik ken niemand die betere koffie zet dan Tante. Maar of dat de reden is dat ik na een aantal maanden weer terug kom, weet ik niet. Ze geeft me koffie. Ze lacht vriendelijk naar me met haar ingevallen en gerimpelde gezicht. Dan drink ik mijn koffie op.
Een bank en tien stoelen, waarvan er twee bezet zijn, rondom een oude en stoffige salontafel. De kopjes zijn niet helemaal schoon en het lijkt erop alsof ze de laatste tijd nog wat viezer zijn dan anders. Er ligt een laagje stof op alles in het huis. Tantes grijze haren lijken af en toe één met het stof. Soms moet ik niezen en dwarrelt het stof alle kant op. Laatst keek ik toen naar buiten en zag dat het aan het sneeuwen was. Terwijl het door mij weggenieste stof ervoor zorgde dat alles weer zijn grijze laagje terug kreeg, zorgde de sneeuw ervoor dat alles buiten van een wit laagje voorzien werd.
“Tante, het zou wel eens een koude winter kunnen worden.” zei ik tegen Tante, maar ze leek er niet op te reageren.
Ze reageert nooit op mijn woorden. Als ik ze de deur openmaakt nadat ik geklopt hebt, glimlacht ze. Als ze net koffie ingeschonken heeft, dan glimlacht ze naar me. Als ik vertrek en het lange pad naar de weg afloop, blijft ze me glimlachend door de open deur volgen, totdat ik bij de straat ben. Dan gaat de deur pas dicht. Maar praten doet ze nooit.
Een lange tijd geleden, toen ik nog klein was, raakte ik verdwaald in het bos. Het was donker aan het worden en tussen de bomen zag ik licht branden, niet eens zo ver weg. Bij dat huis heb ik toen aangeklopt. Er werd opengedaan door een oude vrouw. Ze zei niets en keek alleen maar kwaad naar mij. Toen ben ik weggerend. Ik was bang. Thuis vertelde ik mijn moeder erover.
Ze lachte en zei: “We gaan zaterdagmiddag naar haar toe, dan heeft ze koffie klaar staan. Dan verwacht ze mensen en ben je welkom.”
Dit leek me niet echt een goed idee. Maar ik ben meegegaan. De koffie was heerlijk. Het was de eerste koffie die ik in mijn leven gedronken had. Normaal vinden kinderen van een jaar of tien koffie vies. Ik was niet anders dan die andere kinderen, maar de koffie die deze vrouw zette was zo heerlijk, dat ik altijd met regelmaat bij haar terug ben gegaan.
Het viel me op dat mijn moeder haar steeds tante noemde. Ik vroeg aan haar waarom.
“Omdat ze zo heet,” antwoordde ze, “jij wilt toch ook bij je voornaam genoemd worden, Peter?”
Ik knikte.
“Dus deze vrouw wilt dat ook. Daarom noemt iedereen haar Tante.”
Het is zaterdagmiddag half drie. Ik sta voor de deur en klop aan. Terwijl ik wacht, het duurt langer voor er opengedaan wordt, bekijk ik het huis. Het ziet er meer verwaarloosd uit dan ooit. Het grote raam van de woonkamer is gebroken. Ik loop er naar toe om het te inspecteren. De salontafel is niet gedekt en ook staan er geen stoelen omheen. Ik roep “Tante!” door het open raam, maar er lijkt niemand op te reageren.
Binnen hangen de ijspegels aan het plafond. De grijze stoflaag wordt bedekt door de sneeuw dat het huis binnendwarrelt. Op alles in het huis ligt een wit laagje.
Het stopt met sneeuwen. Het is stil.
De zon begint de schijnen. Het geeft een vreemd beeld, als ik zie hoe het huis verlicht wordt. Vooral met de sneeuw in het huis dat het zonlicht weerkaatst. Als ik het pad terugloop en achteruit kijk is net net alsof het huis nog bewoond is en alsof er in de woonkamer kaarsen branden als verlichting.
Deze avond heeft mijn moeder me een overlijdens advertentie laten zien van een maand geleden. Er staan geen datums in. Ook geen namen van familie of vrienden. Er staat alleen, “Overleden: Tante”.
“Ze vond het fijn dat je af en toe langs kwam.” zegt ze.
Het is een groot oud huis waar ze in woont. In de zomer is het benauwd en heet en in de winter lijkt het alsof er een koude ijzige wind door het huis heen waait. Het huis ziet er mooi uit van buiten, maar erg comfortabel is het niet. En daar woont ze al jaren alleen, afgelegen in een groot bos. Het schijnt dat ze op doordeweekse dagen constant naar buiten kijkt in de richting van het pad dat op de straat uit komt, alsof ze iemand verwacht. Iemand die jaren niet is op komen dagen.
Ze is al erg oud. Hoe oud, weet ik niet, maar heel oud in ieder geval. Ze is ook geen familie van me, maar ze wilt graag dat iedereen haar Tante noemt. Dus ik noem haar Tante.
De koffie is altijd goed. Ik ken niemand die betere koffie zet dan Tante. Maar of dat de reden is dat ik na een aantal maanden weer terug kom, weet ik niet. Ze geeft me koffie. Ze lacht vriendelijk naar me met haar ingevallen en gerimpelde gezicht. Dan drink ik mijn koffie op.
Een bank en tien stoelen, waarvan er twee bezet zijn, rondom een oude en stoffige salontafel. De kopjes zijn niet helemaal schoon en het lijkt erop alsof ze de laatste tijd nog wat viezer zijn dan anders. Er ligt een laagje stof op alles in het huis. Tantes grijze haren lijken af en toe één met het stof. Soms moet ik niezen en dwarrelt het stof alle kant op. Laatst keek ik toen naar buiten en zag dat het aan het sneeuwen was. Terwijl het door mij weggenieste stof ervoor zorgde dat alles weer zijn grijze laagje terug kreeg, zorgde de sneeuw ervoor dat alles buiten van een wit laagje voorzien werd.
“Tante, het zou wel eens een koude winter kunnen worden.” zei ik tegen Tante, maar ze leek er niet op te reageren.
Ze reageert nooit op mijn woorden. Als ik ze de deur openmaakt nadat ik geklopt hebt, glimlacht ze. Als ze net koffie ingeschonken heeft, dan glimlacht ze naar me. Als ik vertrek en het lange pad naar de weg afloop, blijft ze me glimlachend door de open deur volgen, totdat ik bij de straat ben. Dan gaat de deur pas dicht. Maar praten doet ze nooit.
Een lange tijd geleden, toen ik nog klein was, raakte ik verdwaald in het bos. Het was donker aan het worden en tussen de bomen zag ik licht branden, niet eens zo ver weg. Bij dat huis heb ik toen aangeklopt. Er werd opengedaan door een oude vrouw. Ze zei niets en keek alleen maar kwaad naar mij. Toen ben ik weggerend. Ik was bang. Thuis vertelde ik mijn moeder erover.
Ze lachte en zei: “We gaan zaterdagmiddag naar haar toe, dan heeft ze koffie klaar staan. Dan verwacht ze mensen en ben je welkom.”
Dit leek me niet echt een goed idee. Maar ik ben meegegaan. De koffie was heerlijk. Het was de eerste koffie die ik in mijn leven gedronken had. Normaal vinden kinderen van een jaar of tien koffie vies. Ik was niet anders dan die andere kinderen, maar de koffie die deze vrouw zette was zo heerlijk, dat ik altijd met regelmaat bij haar terug ben gegaan.
Het viel me op dat mijn moeder haar steeds tante noemde. Ik vroeg aan haar waarom.
“Omdat ze zo heet,” antwoordde ze, “jij wilt toch ook bij je voornaam genoemd worden, Peter?”
Ik knikte.
“Dus deze vrouw wilt dat ook. Daarom noemt iedereen haar Tante.”
Het is zaterdagmiddag half drie. Ik sta voor de deur en klop aan. Terwijl ik wacht, het duurt langer voor er opengedaan wordt, bekijk ik het huis. Het ziet er meer verwaarloosd uit dan ooit. Het grote raam van de woonkamer is gebroken. Ik loop er naar toe om het te inspecteren. De salontafel is niet gedekt en ook staan er geen stoelen omheen. Ik roep “Tante!” door het open raam, maar er lijkt niemand op te reageren.
Binnen hangen de ijspegels aan het plafond. De grijze stoflaag wordt bedekt door de sneeuw dat het huis binnendwarrelt. Op alles in het huis ligt een wit laagje.
Het stopt met sneeuwen. Het is stil.
De zon begint de schijnen. Het geeft een vreemd beeld, als ik zie hoe het huis verlicht wordt. Vooral met de sneeuw in het huis dat het zonlicht weerkaatst. Als ik het pad terugloop en achteruit kijk is net net alsof het huis nog bewoond is en alsof er in de woonkamer kaarsen branden als verlichting.
Deze avond heeft mijn moeder me een overlijdens advertentie laten zien van een maand geleden. Er staan geen datums in. Ook geen namen van familie of vrienden. Er staat alleen, “Overleden: Tante”.
“Ze vond het fijn dat je af en toe langs kwam.” zegt ze.
zaterdag 15 mei 2010
De muis
Tijdens het stofzuigen rende er plosteling een muis onder mijn bed uit. Dus ik hem achterna jagen met de stofzuigerslang, alleen de muis was sneller. Daarna heb ik de kat achter hem aan gestuurd, maar die was te lui en wilde niet van de bank afkomen.
Toen ben ik hem gaan volgen en heb een holletje gevonden onder mijn bed in de muur.
Met wat oude planken ben ik aan de slag gegaan en heb een bedje voor hem gemaakt en die heb ik 's avonds binnen in het holletje gezet. De muis ging er niet op slapen en kon er niet uit omdat het bedje zijn ingang blokkeerde.
De hele nacht werd ik wakker gehouden van geknaag aan de muur. De volgende ochtend had de muis een tweede ingang in zijn huis. Hij liep wat rond in mijn woonkamer en ik legde een blokje kaas op een schaaltje en legde dit voor zijn neus op de grond. De muis merkte niet dat er wat voor hem op de grond stond, wel merkte hij mijn handen op en hij rende de andere kant op. Dit werd opgemerkt door de kat die er achteraan begon te rennen, naar de slaapkamer, onder het bed door. De kat zwaaide zijn poot een paar keer in het holletje. Te laat! Daarna liep ze terug naar de bank en viel in slaap.
Nou lag de stukje kaas nog midden in de kamer. Ik pakte het op en legde het binnen in het holletje van de muis, achter de tweede ingang.
De muis had niet door dat kaas eetbaar is. Of hij luste geen kaas. In ieder geval bleef de kaas voor de opening liggen. En 's nachts begon de muis weer te knagen. De volgende ochtend was er een derde ingang ontstaan. Ik haalde het blokje kaas en het bedje maar weg. De muis begreep er toch niks van.
Op een één of andere manier was de muis toch gehecht geraakt aan zijn bed en zijn kaas, ondanks dat ze alleen maar wat stonden. Hij liep wat onwennig op en neer bij ingang één. Ook bij ingang twee leek hij niet erg op zijn gemak. Dus later op de dag besloot ik het blokje kaas en het bedje terug te leggen, zodat de muis zich weer thuis zou voelen. Ik was er te laat mee. Het was al gebeurd!
Ik keek op de bank en daar lag geen kat te slapen. Ik keek in de kamer, onder de tafels en stoelen, ook geen kat. In de keuken geen kat. Nergens een kat. Wel gemiauw. En het kwam uit de muur tussen de woonkamer en de slaapkamer in.
De muis had mijn kat ontvoerd omdat ik zijn spulletjes had weggepakt. De ondankbare, gebruikte de spullen niet eens waarvoor ze dienen en steelt ook nog mijn kat.
Om de kat uit de muizenhol te krijgen pak ik een zaag. Hoe heeft de muis de kat daar binnengekregen? Iets dat veel groter is dan hem, hoe heeft hij dat opgepakt? Misschien heeft hij met zijn bekje in één van haar poten gebeten en meegesleurd naar het hol? Of misschien is de kat achter de muis gaan jagen en heeft hem tot in het holletje gevolgd? Hoe is hij daar in gekomen? Een kat kan zich heel lang en slank maken. Dat zal het geweest zijn.
Ik zaagde van ingang één naar ingang twee en van ingang twee naar ingang drie en van ingang drie onderlangs via ingang twee terug naar ingang één. Ik zag geen kat, alleen een bang in hoek gedrukt muisje. Vreemd en het gemiauw was nog steeds niet opgehouden.
Eerst naar de w.c. en dan verder denken hoe ik de kat kon bevrijden. Toen ik de w.c. deur opende rende de kat er miauwend en spinnend uit. Ze gaf mij een kopje tegen mijn hand. Daarna gaf ze de muis, die nieuwsgierig als hij is, naar de gang was gelopen, ook een kopje tegen zijn kopje.
Sindsdien slapen de muis en de kat samen op de bank.
Toen ben ik hem gaan volgen en heb een holletje gevonden onder mijn bed in de muur.
Met wat oude planken ben ik aan de slag gegaan en heb een bedje voor hem gemaakt en die heb ik 's avonds binnen in het holletje gezet. De muis ging er niet op slapen en kon er niet uit omdat het bedje zijn ingang blokkeerde.
De hele nacht werd ik wakker gehouden van geknaag aan de muur. De volgende ochtend had de muis een tweede ingang in zijn huis. Hij liep wat rond in mijn woonkamer en ik legde een blokje kaas op een schaaltje en legde dit voor zijn neus op de grond. De muis merkte niet dat er wat voor hem op de grond stond, wel merkte hij mijn handen op en hij rende de andere kant op. Dit werd opgemerkt door de kat die er achteraan begon te rennen, naar de slaapkamer, onder het bed door. De kat zwaaide zijn poot een paar keer in het holletje. Te laat! Daarna liep ze terug naar de bank en viel in slaap.
Nou lag de stukje kaas nog midden in de kamer. Ik pakte het op en legde het binnen in het holletje van de muis, achter de tweede ingang.
De muis had niet door dat kaas eetbaar is. Of hij luste geen kaas. In ieder geval bleef de kaas voor de opening liggen. En 's nachts begon de muis weer te knagen. De volgende ochtend was er een derde ingang ontstaan. Ik haalde het blokje kaas en het bedje maar weg. De muis begreep er toch niks van.
Op een één of andere manier was de muis toch gehecht geraakt aan zijn bed en zijn kaas, ondanks dat ze alleen maar wat stonden. Hij liep wat onwennig op en neer bij ingang één. Ook bij ingang twee leek hij niet erg op zijn gemak. Dus later op de dag besloot ik het blokje kaas en het bedje terug te leggen, zodat de muis zich weer thuis zou voelen. Ik was er te laat mee. Het was al gebeurd!
Ik keek op de bank en daar lag geen kat te slapen. Ik keek in de kamer, onder de tafels en stoelen, ook geen kat. In de keuken geen kat. Nergens een kat. Wel gemiauw. En het kwam uit de muur tussen de woonkamer en de slaapkamer in.
De muis had mijn kat ontvoerd omdat ik zijn spulletjes had weggepakt. De ondankbare, gebruikte de spullen niet eens waarvoor ze dienen en steelt ook nog mijn kat.
Om de kat uit de muizenhol te krijgen pak ik een zaag. Hoe heeft de muis de kat daar binnengekregen? Iets dat veel groter is dan hem, hoe heeft hij dat opgepakt? Misschien heeft hij met zijn bekje in één van haar poten gebeten en meegesleurd naar het hol? Of misschien is de kat achter de muis gaan jagen en heeft hem tot in het holletje gevolgd? Hoe is hij daar in gekomen? Een kat kan zich heel lang en slank maken. Dat zal het geweest zijn.
Ik zaagde van ingang één naar ingang twee en van ingang twee naar ingang drie en van ingang drie onderlangs via ingang twee terug naar ingang één. Ik zag geen kat, alleen een bang in hoek gedrukt muisje. Vreemd en het gemiauw was nog steeds niet opgehouden.
Eerst naar de w.c. en dan verder denken hoe ik de kat kon bevrijden. Toen ik de w.c. deur opende rende de kat er miauwend en spinnend uit. Ze gaf mij een kopje tegen mijn hand. Daarna gaf ze de muis, die nieuwsgierig als hij is, naar de gang was gelopen, ook een kopje tegen zijn kopje.
Sindsdien slapen de muis en de kat samen op de bank.
donderdag 24 december 2009
Een zacht winters briesje
Door het huis waaide een zacht winters briesje. De verwarming stond aan, maar het werd er niet behaaglijker op. Vader keek moeder aan. Moeder reageerde niet. Vervolgens zei hij tegen de kinderen: “Hebben jullie nog wat meegemaakt op school.”
Beide jongens Joris en Dirk, keken elkaar aan alsof ze wilde zeggen, 'wat moet die sukkel nou!'.
“Ans! jongens! Waarom zeggen jullie me niets.”
Vuil keek ze dwars door hem heen. Het leek alsof als zijn ingewanden door haar blik begonnen te koken. Het voelde alsof hij elk moment uit elkaar kon barsten.
“Je houdt toch nog van me.” Hij deed een poging lief te kijken en probeerde zijn vrouw een kus te geven. Zij draaide haar gezicht om, stond op en ging naar boven om te gaan slapen.
“Gaan jullie ook naar bed?” vroeg Ans aan haar kinderen.
Zij stonden op en gingen gehoorzaam naar bed.
Willem zat nu alleen en dacht na over hoe het er allemaal aan toe ging bij hem thuis en in zijn leven. Of de rest van de familie erbij zat of niet, hij was altijd alleen. Als hij bij vrienden was, dan was hij degene waar niet tegen gepraat werd.
Door het huis waaide een zacht winters briesje en laat dat nou de reden zijn, waardoor hij zich ondanks alles toch wat comfortabel voelde.
Hij ging in een stoel zitten en las en boek totdat hij in slaap viel.
De volgende ochtend riep Ans haar kinderen, zodat ze zich in orde konden maken voor school. Ontbijten en daarna goed aankleden met een dikke jas, handschoenen en een sjaal. Het was winter, de sneeuw lag een halve meter hoog. Het zou een vermoeiende reis worden, die honderd meter naar school te lopen.
Ze pakte het boek van Willems gezicht af en legde dit op de tafel. Daarna vertrok ze met haar kinderen.
Het was half 9 toen Willem wakker werd. Hij had al twee en een half uur op zijn werk moeten zijn. Kon niemand hem optijd wakker maken?
Nee, want niemand praatte nog met hem. Hij had geen idee waarom niet. Hij kon zich herinneren dat tot ongeveer een maand geleden iedereen nog heel normaal tegen hem deed. Plotseling reageerde iedereen alsof hij dood was en hij had het gevoel dat hij zich na een aantal weken ook zo begon te gedragen. Waar was het enthousiasme? Waar was de levenslust?
Waar hij zich het meest druk over maakte, was Ans. Konden ze niet heel goed met elkaar opschieten. Ze voelden elkaar altijd precies aan. Tot een maand geleden waren ze een hecht stel, totaal niet uit elkaar gegroeid.
“Als ik dan toch zo goed als dood ben, waarom ga ik er dan niet vandoor?”
En toen Ans terug kwam van de kinderen naar school brengen, was hij er niet meer. Er was alleen nog die koude ijzige wind, die haar verstikte. Die wind die in het huis bleef hangen, waardoor zij en haar kinderen zich constant onbehaaglijk voelde. En een jaar later toen ze naar een kleiner appartement op drie hoog verhuisde, leek ze in dat appartement nog steeds dat onbehaaglijke gevoel te hebben. Al die tijd zagen ze Willem niet. Niemand zag hem. Hij werd niet als vermist opgegeven, want hij bestond toch al niet meer. Het was alsof het niet denken aan hem, zijn aanwezigheid deed verdwijnen.
Op een zomerse dag zei Dirk: “Ik heb met papa gesproken.”
Ans keek haar zoon kwaad aan.
“Ik heb echt met hem gesproken.”
“Je vader is er niet meer. Maak niet van de rare grappen.”
“Hij heeft met hem gesproken,” stond Joris hem bij, “ik heb het gezien.”
“Hou er over op!” De kinderen waren stil, voor de rest van de dag.
Ans werd niet goed van haar kinderen. Ze bleven over haar man spreken. En ze beschouwde haar ook steeds meer als een grote leugenaar. Dat irriteerde haar en ze begon steeds meer te snauwen naar haar kinderen, totdat ze op een dag helemaal niets meer zeiden. En op een dag verdwenen ze, alsof kinderen die plotseling totaal niets meer zeggen oplossen in de lucht. Die lucht voelde killer aan dan ooit tevoren. Overal waar ze kwam, had ze het koud, al was het dertig graden Celsius.
Ze had zelf geen idee waarom ze hem was gaan haten. Opeens was het zo. Dus moest ze wat. De leugen werkte goed. iets te goed, want opeens wilde niemand meer met Willem omgaan. Ze had zichzelf die dag enorm toegetakeld en tegen iedereen die ze tegenkwam vertelde ze dat ze mishandeld werd door haar man en dat ze eigenlijk weg wilde gaan om haar zoontjes te beschermen. Tegen haar man mompelde ze wat over een ongeluk en daarna zij ze niets meer. Het kwam eigenlijk ook goed uit dat hij opeens verdween, want dan hoefde ze zich niet meer zo te ergeren.
En nu zat ze helemaal alleen op haar appartement. De zomer was heet en het was bijna veertig graden binnen en nog had ze het koud. Er was niets meer. Waarom zou zij dan ook niet verdwijnen? Net zoals haar man en haar kinderen?
Willem vond het niet helemaal eerlijk. Hij had nu de kinderen en zijn voormalige vrouw had geen afscheid kunnen nemen. Daarom besloot hij hen naar haar toe te brengen.
“Uiteindelijk moeten jullie zelf beslissen bij wie jullie willen wonen.”
“Wij willen bij jou blijven.” zeiden de kinderen tegelijkertijd.
“Maar als jullie toch bij jullie moeder willen zijn, respecteer ik jullie keus.” Eigenlijk hoopte hij van niet, maar was het wel dan zou hij zich daarbij neerleggen.
Bij het appartement aangekomen bleek de deur open te staan. De kamer was zo warm dat je op je huid kon bakken als je te lang binnen zou zitten. Ans was niet aanwezig en er werd ook niets meer van haar vernomen.
Beide jongens Joris en Dirk, keken elkaar aan alsof ze wilde zeggen, 'wat moet die sukkel nou!'.
“Ans! jongens! Waarom zeggen jullie me niets.”
Vuil keek ze dwars door hem heen. Het leek alsof als zijn ingewanden door haar blik begonnen te koken. Het voelde alsof hij elk moment uit elkaar kon barsten.
“Je houdt toch nog van me.” Hij deed een poging lief te kijken en probeerde zijn vrouw een kus te geven. Zij draaide haar gezicht om, stond op en ging naar boven om te gaan slapen.
“Gaan jullie ook naar bed?” vroeg Ans aan haar kinderen.
Zij stonden op en gingen gehoorzaam naar bed.
Willem zat nu alleen en dacht na over hoe het er allemaal aan toe ging bij hem thuis en in zijn leven. Of de rest van de familie erbij zat of niet, hij was altijd alleen. Als hij bij vrienden was, dan was hij degene waar niet tegen gepraat werd.
Door het huis waaide een zacht winters briesje en laat dat nou de reden zijn, waardoor hij zich ondanks alles toch wat comfortabel voelde.
Hij ging in een stoel zitten en las en boek totdat hij in slaap viel.
De volgende ochtend riep Ans haar kinderen, zodat ze zich in orde konden maken voor school. Ontbijten en daarna goed aankleden met een dikke jas, handschoenen en een sjaal. Het was winter, de sneeuw lag een halve meter hoog. Het zou een vermoeiende reis worden, die honderd meter naar school te lopen.
Ze pakte het boek van Willems gezicht af en legde dit op de tafel. Daarna vertrok ze met haar kinderen.
Het was half 9 toen Willem wakker werd. Hij had al twee en een half uur op zijn werk moeten zijn. Kon niemand hem optijd wakker maken?
Nee, want niemand praatte nog met hem. Hij had geen idee waarom niet. Hij kon zich herinneren dat tot ongeveer een maand geleden iedereen nog heel normaal tegen hem deed. Plotseling reageerde iedereen alsof hij dood was en hij had het gevoel dat hij zich na een aantal weken ook zo begon te gedragen. Waar was het enthousiasme? Waar was de levenslust?
Waar hij zich het meest druk over maakte, was Ans. Konden ze niet heel goed met elkaar opschieten. Ze voelden elkaar altijd precies aan. Tot een maand geleden waren ze een hecht stel, totaal niet uit elkaar gegroeid.
“Als ik dan toch zo goed als dood ben, waarom ga ik er dan niet vandoor?”
En toen Ans terug kwam van de kinderen naar school brengen, was hij er niet meer. Er was alleen nog die koude ijzige wind, die haar verstikte. Die wind die in het huis bleef hangen, waardoor zij en haar kinderen zich constant onbehaaglijk voelde. En een jaar later toen ze naar een kleiner appartement op drie hoog verhuisde, leek ze in dat appartement nog steeds dat onbehaaglijke gevoel te hebben. Al die tijd zagen ze Willem niet. Niemand zag hem. Hij werd niet als vermist opgegeven, want hij bestond toch al niet meer. Het was alsof het niet denken aan hem, zijn aanwezigheid deed verdwijnen.
Op een zomerse dag zei Dirk: “Ik heb met papa gesproken.”
Ans keek haar zoon kwaad aan.
“Ik heb echt met hem gesproken.”
“Je vader is er niet meer. Maak niet van de rare grappen.”
“Hij heeft met hem gesproken,” stond Joris hem bij, “ik heb het gezien.”
“Hou er over op!” De kinderen waren stil, voor de rest van de dag.
Ans werd niet goed van haar kinderen. Ze bleven over haar man spreken. En ze beschouwde haar ook steeds meer als een grote leugenaar. Dat irriteerde haar en ze begon steeds meer te snauwen naar haar kinderen, totdat ze op een dag helemaal niets meer zeiden. En op een dag verdwenen ze, alsof kinderen die plotseling totaal niets meer zeggen oplossen in de lucht. Die lucht voelde killer aan dan ooit tevoren. Overal waar ze kwam, had ze het koud, al was het dertig graden Celsius.
Ze had zelf geen idee waarom ze hem was gaan haten. Opeens was het zo. Dus moest ze wat. De leugen werkte goed. iets te goed, want opeens wilde niemand meer met Willem omgaan. Ze had zichzelf die dag enorm toegetakeld en tegen iedereen die ze tegenkwam vertelde ze dat ze mishandeld werd door haar man en dat ze eigenlijk weg wilde gaan om haar zoontjes te beschermen. Tegen haar man mompelde ze wat over een ongeluk en daarna zij ze niets meer. Het kwam eigenlijk ook goed uit dat hij opeens verdween, want dan hoefde ze zich niet meer zo te ergeren.
En nu zat ze helemaal alleen op haar appartement. De zomer was heet en het was bijna veertig graden binnen en nog had ze het koud. Er was niets meer. Waarom zou zij dan ook niet verdwijnen? Net zoals haar man en haar kinderen?
Willem vond het niet helemaal eerlijk. Hij had nu de kinderen en zijn voormalige vrouw had geen afscheid kunnen nemen. Daarom besloot hij hen naar haar toe te brengen.
“Uiteindelijk moeten jullie zelf beslissen bij wie jullie willen wonen.”
“Wij willen bij jou blijven.” zeiden de kinderen tegelijkertijd.
“Maar als jullie toch bij jullie moeder willen zijn, respecteer ik jullie keus.” Eigenlijk hoopte hij van niet, maar was het wel dan zou hij zich daarbij neerleggen.
Bij het appartement aangekomen bleek de deur open te staan. De kamer was zo warm dat je op je huid kon bakken als je te lang binnen zou zitten. Ans was niet aanwezig en er werd ook niets meer van haar vernomen.
woensdag 21 oktober 2009
Jongen kruipt de doos in
Op straat wordt er gefeest. Iedereen is blij. Iedereen lacht. Mannen, vrouwen en kinderen dansen. Er wordt gezellig gepraat. Er wordt gegeten. Iedereen is vrolijk.
De jongen kijkt naar het schouwspel en voelt zich er niet thuis. De mensen gedragen zich vreemd. Nogal anders dan anders. De vrouw die iedereen altijd zo commandeerde speelt een jong spontaan meisje. De humeurige oude man die altijd klaagt over zijn velen pijnen, tapt flauwe moppen.
De jongen loopt van de schreeuwerige menigte af. Zijn vader zoekt en zijn moeder huilt.
Op straat wordt er gefeest. Ballonnen, overal hangen ballonnen. Alle kleuren. Rood Blauw Geel Oranje Groen. Hele felle kleuren. Mensen worden vrolijk bij het zien van de ballonnen. Voor de jongen zijn de ballonnen als tegen fel zonlicht in kijken.
De jongen vind een doos in een grijs en donker steegje. Op de achtergrond hoort hij geschreeuw. Voor hem niet van vrolijkheid, maar gewoon geschreeuw. Zijn vader zoekt en zijn moeder huilt.
Ver weg van de herrie. Ver weg van al die enge mensen, die niet meer zichzelf zijn. Ver weg van de te fel gekleurde ballonnen, waarmee je kleine kinderen schrik aan kunt jagen. Ver weg van het gedans. Ver weg van het eet en drink festijn. Genoeg er vandaan om er geen last meer van te hebben.
De jongen kruipt de doos in. Het regent en zo blijft hij droog. Zijn vader zoekt en zijn moeder huilt. Niemand zoekt mee en niemand troost, want het is feest. Nou even geen zorgen, de jongen komt later wel.
Vader loopt het steegje in. Op de achtergrond hoort hij nog het gelach en gezang van de mensen. En de muziek waarop gedanst wordt. De mensen die een hekel aan hem hebben en plotseling vriendelijk zijn en hem dan uiteindelijk in de steek laten als hij naar zijn zoon op zoek is, hoort hij gelukkig niet meer.
Moeder staat op de hoek en kijkt hoe vader het steegje onderzoekt. Ze voelt de tranen. Ze voelt de pijn van haar verdwenen zoon. Van het feest hoort ze niets en herinnert ze niets.
Vader vindt de jongen in de doos. Hij haalt hem eruit. Lacht naar moeder. Moeder lacht terug. Ze gaan naar huis en weten dat zij een fijne avond zullen hebben in tegenstelling tot de mensen op het feest.
De jongen kijkt naar het schouwspel en voelt zich er niet thuis. De mensen gedragen zich vreemd. Nogal anders dan anders. De vrouw die iedereen altijd zo commandeerde speelt een jong spontaan meisje. De humeurige oude man die altijd klaagt over zijn velen pijnen, tapt flauwe moppen.
De jongen loopt van de schreeuwerige menigte af. Zijn vader zoekt en zijn moeder huilt.
Op straat wordt er gefeest. Ballonnen, overal hangen ballonnen. Alle kleuren. Rood Blauw Geel Oranje Groen. Hele felle kleuren. Mensen worden vrolijk bij het zien van de ballonnen. Voor de jongen zijn de ballonnen als tegen fel zonlicht in kijken.
De jongen vind een doos in een grijs en donker steegje. Op de achtergrond hoort hij geschreeuw. Voor hem niet van vrolijkheid, maar gewoon geschreeuw. Zijn vader zoekt en zijn moeder huilt.
Ver weg van de herrie. Ver weg van al die enge mensen, die niet meer zichzelf zijn. Ver weg van de te fel gekleurde ballonnen, waarmee je kleine kinderen schrik aan kunt jagen. Ver weg van het gedans. Ver weg van het eet en drink festijn. Genoeg er vandaan om er geen last meer van te hebben.
De jongen kruipt de doos in. Het regent en zo blijft hij droog. Zijn vader zoekt en zijn moeder huilt. Niemand zoekt mee en niemand troost, want het is feest. Nou even geen zorgen, de jongen komt later wel.
Vader loopt het steegje in. Op de achtergrond hoort hij nog het gelach en gezang van de mensen. En de muziek waarop gedanst wordt. De mensen die een hekel aan hem hebben en plotseling vriendelijk zijn en hem dan uiteindelijk in de steek laten als hij naar zijn zoon op zoek is, hoort hij gelukkig niet meer.
Moeder staat op de hoek en kijkt hoe vader het steegje onderzoekt. Ze voelt de tranen. Ze voelt de pijn van haar verdwenen zoon. Van het feest hoort ze niets en herinnert ze niets.
Vader vindt de jongen in de doos. Hij haalt hem eruit. Lacht naar moeder. Moeder lacht terug. Ze gaan naar huis en weten dat zij een fijne avond zullen hebben in tegenstelling tot de mensen op het feest.
woensdag 25 maart 2009
Brimbol de kat
Terwijl de wind de papieren door de kamer liet waaien, was Pieter haastig op zoek naar de kat. Er lagen scherven op de grond en dat kwam doordat Brimbol een glas had omgestoten. Pieter had snel de scherven bij elkaar geraapt en de splinters opgezogen met de stofzuiger, want stel je voor dat de kat een stukje glas binnen krijgt, dan zou ze sterven.
Brimbol, waar zit je!
Hij keek onder de bank, waar de kat zich wel eens vaker verstopte, maar daar zat hij niet. Misschien zat hij in de douche, of was hij in één van de kasten gekropen. Hij was nergens te vinden. Een koude wind waaide door het raam en toen Pieter die kant op keek, zag hij dat het raam iets verder openstond als hij gedacht had. De kat was naar buiten gesprongen.
Snel rende hij naar buiten en toen hij buiten was begon het te sneeuwen. Waar was die kat?
“Brimbol! Brimbol! Waar zit je?”
Er kwam geen reactie. Pieter keek naar de grond, misschien dat er kattensporen waren ontstaan op de inmiddels wit geworden stoep. Die waren er niet. Toen hij zijn hoofd terug omhoog boog, zag hij vlak voor zijn neus een jonge vrouw staan. Hij was net niet tegen haar gebotst.
Hij schrok toen hij haar in haar grote bruine ogen keek. Ze lachte, terwijl de wind haar rode haren in haar gezicht blies. Door het lantaarnlicht dat op haar scheen leek ze in brand te staan.
“Ken je me nog?” vroeg ze.
“Waarvan zou ik je moeten kennen?”
“Je bent toch Pieter Nachtkaars.”
“Ja dat ben ik, maar waarvan moet ik jou kennen?”
“Dat weet je toch wel. Ik ben je buurmeisje Irene.”
Even dacht hij dat er een lampje ging branden, maar dat doofde direct weer en hij wist nog steeds niet waarvan hij deze vrouw kende. Hij vroeg of zij een kat had gezien.
“Een grijs gestreepte kat? Die zit nu bij mij binnen. Ik vond hem zo zielig in dit koude weer en toen begon het nog te sneeuwen ook . Dus heb ik hem binnen gehaald.”
Bij Irene thuis dronken ze samen koffie en Pieter aanschouwde zijn kat, die het wel erg naar zijn zin had. Hij gedroeg zich alsof hij er al jaren woonde.
Als snel nam hij zijn kat mee naar huis, maar toen hij bij zijn flatje was aangekomen, bleek hij geen sleutel bij zich te hebben. In paniek liet Pieter Brimbol vallen en de kat rende direct naar het huisje van Irene. Na vijf keer zijn zakken onderzocht te hebben en drie keer heen en weer gelopen te hebben, gaf Pieter het op en besloot buiten de slapen.
“Ben je iets kwijt?” klonk een vriendelijke stem.
“Ben mijn sleutels verloren, denk ik, of vergeten.”
“Je raam staat open. De regenpijp inklimmen en je kunt zo je huis in.”
Hij keek naar de regenpijp en dacht bij zichzelf, daar klim ik echt niet in.
“Je herkent me echt niet meer hè.”
Pieter knikte nee. Haar ogen stonden nu een stuk droeviger en ze leek aanstalten te maken om naar huis terug te gaan. Toen glimlachte ze en zei, “Maar ik zal je deze keer helpen.” En ze begon de regenpijp in de klimmen.
“Kom me maar achterna riep ze.”
Nee, dat klimmen was niets voor hem. De regenpijp was nat en glad en bij elke beweging die Irene maakte kraakte het. Toen hij na veel overwegen een poging wou wagen, was Irene al boven door het raam geklommen.
“Ik zal de deur wel voor je openen,” riep ze naar beneden, “en je mag je huis wel eens opruimen.”
Een aantal weken later was het huis een nog grotere bende geworden. Pieter was Irene helemaal vergeten. De troep in zijn huis maakte het dat hij zich erg onrustig voelde.
Het was nog vroeg in de avond toen hij twijfelde om naar bed te gaan of nog even televisie te kijken. Hij besloot het laatste te doen.
Pieter praatte niet, hij fluisterde, anders zouden de buren hem horen en denken dat hij gek was, want waarom zou iemand die alleen woonde hardop praten als er niemand was die iets terug zei.
Terwijl hij een saai programma keek, was hij zo moe dat hij tijdens het kijken al niet meer wist wat er bezig was.
De kat liep liep doelloos op en neer, want de vloer was zo bezaait met papieren en folders, dat er geen plek om te liggen te vinden was.
De volgende ochtend staarde Pieter naar de vlokken sneeuw die voor het raam dwarrelden. Eén, twee, drie, vier... Het waren er erg veel.
Hij hield op met tellen, want het was een saaie en zinloze bezigheid. Maar waar moest hij zich mee bezig houden.
De rommel opruimen dan maar. Hij ondernam een poging, vond een zak chips in een kast en begon die zak leeg te eten. Brimbol speelde met de op de grond gegooide propjes papier en at soms wat van de chipskruimels op de grond.
De bel ging. Het was een vrouw met lange rode haren. Ze was iets aan het vertellen.
“Luister je wel naar wat ik zeg?” vroeg ze.
Haar stem kwam bekend voor. Wie was ze ook al weer? Hij keek haar in haar ogen. Hele bekende ogen. Het leek alsof ze elk moment in woede of in verdriet kon uitbarsten.
“Pieter je hoort met toch wel.”
“Natuurlijk hoor ik je.”
“Waarom reageer je dan niet?”
Wat had ze gezegd? Pieter wist het niet en durfde er niet naar te vragen. Hij keek haar diep in de ogen aan, een poging om de verloren woorden uit haar gedachten te pakken, maar ze kwamen niet. Er kwamen wel tranen in haar ogen.
“Is er iets?” vroeg ze bijna fluisterend.
“Nee,” Pieter knikte erbij, “er is niets.”
“Je ogen tranen.”
“Het is hier ook zo stoffig.”
Hij keek naar de onderkant van zijn voeten, die grijs waren geworden van de stof die op de grond lag. Dit leek niet op het huis dat hij eens zelf had ingericht. De meubels waren onzichtbaar geworden door de stapels papier die eroverheen lagen. Pieter zelf stond op het punt te verdwijnen als hij niet snel zou ingrijpen.
Terwijl Pieter naar zijn rommel keek, ontstond er een lichtje in Irene's ogen. Ze glimlachte voorzichtig, maar Pieter voelde daar een enorme warmte vanaf komen. Ze zei: “Je begrijpt wat ik gezegd heb.”
Ze stond klaar om hem te omhelzen, maar hield dit in en zei: “Ik help je mee om je huis op te ruimen.”
“Dat is goed.”
Irene maakte aanstalten om de eerste stapel papier te doorzoeken.
“Hier heb je wat oude afschriften. Heb je ze al betaald?”
“Ik geloof deze wel.”
“En een klokhuis.” lachte ze.
“Gooi maar weg.”
Ze pakte een stapel papier en verzamelde nog een aantal stapels, totdat ze vanaf haar buik tot haar kin vol papier zat. Deze enorme stapel gooide ze over Pieter heen, die wat dromerig vooruitstaarde. Hij leek wakker te schrikken en niet te begrijpen waarom ze dit nu weer deed.
Toen omhelsde ze hem, gaf hem een kus, bleef aan hem vastkleven en fluisterde in zijn oor: “Het komt goed.”
Pieter stond op en zuchtte van opluchting.
“Zoek jij die papieren op de grond dan even uit!” riep ze bevelend en vervolgens lachte ze.
Pieter glimlachte voorzichtig terug.
Brimbol, waar zit je!
Hij keek onder de bank, waar de kat zich wel eens vaker verstopte, maar daar zat hij niet. Misschien zat hij in de douche, of was hij in één van de kasten gekropen. Hij was nergens te vinden. Een koude wind waaide door het raam en toen Pieter die kant op keek, zag hij dat het raam iets verder openstond als hij gedacht had. De kat was naar buiten gesprongen.
Snel rende hij naar buiten en toen hij buiten was begon het te sneeuwen. Waar was die kat?
“Brimbol! Brimbol! Waar zit je?”
Er kwam geen reactie. Pieter keek naar de grond, misschien dat er kattensporen waren ontstaan op de inmiddels wit geworden stoep. Die waren er niet. Toen hij zijn hoofd terug omhoog boog, zag hij vlak voor zijn neus een jonge vrouw staan. Hij was net niet tegen haar gebotst.
Hij schrok toen hij haar in haar grote bruine ogen keek. Ze lachte, terwijl de wind haar rode haren in haar gezicht blies. Door het lantaarnlicht dat op haar scheen leek ze in brand te staan.
“Ken je me nog?” vroeg ze.
“Waarvan zou ik je moeten kennen?”
“Je bent toch Pieter Nachtkaars.”
“Ja dat ben ik, maar waarvan moet ik jou kennen?”
“Dat weet je toch wel. Ik ben je buurmeisje Irene.”
Even dacht hij dat er een lampje ging branden, maar dat doofde direct weer en hij wist nog steeds niet waarvan hij deze vrouw kende. Hij vroeg of zij een kat had gezien.
“Een grijs gestreepte kat? Die zit nu bij mij binnen. Ik vond hem zo zielig in dit koude weer en toen begon het nog te sneeuwen ook . Dus heb ik hem binnen gehaald.”
Bij Irene thuis dronken ze samen koffie en Pieter aanschouwde zijn kat, die het wel erg naar zijn zin had. Hij gedroeg zich alsof hij er al jaren woonde.
Als snel nam hij zijn kat mee naar huis, maar toen hij bij zijn flatje was aangekomen, bleek hij geen sleutel bij zich te hebben. In paniek liet Pieter Brimbol vallen en de kat rende direct naar het huisje van Irene. Na vijf keer zijn zakken onderzocht te hebben en drie keer heen en weer gelopen te hebben, gaf Pieter het op en besloot buiten de slapen.
“Ben je iets kwijt?” klonk een vriendelijke stem.
“Ben mijn sleutels verloren, denk ik, of vergeten.”
“Je raam staat open. De regenpijp inklimmen en je kunt zo je huis in.”
Hij keek naar de regenpijp en dacht bij zichzelf, daar klim ik echt niet in.
“Je herkent me echt niet meer hè.”
Pieter knikte nee. Haar ogen stonden nu een stuk droeviger en ze leek aanstalten te maken om naar huis terug te gaan. Toen glimlachte ze en zei, “Maar ik zal je deze keer helpen.” En ze begon de regenpijp in de klimmen.
“Kom me maar achterna riep ze.”
Nee, dat klimmen was niets voor hem. De regenpijp was nat en glad en bij elke beweging die Irene maakte kraakte het. Toen hij na veel overwegen een poging wou wagen, was Irene al boven door het raam geklommen.
“Ik zal de deur wel voor je openen,” riep ze naar beneden, “en je mag je huis wel eens opruimen.”
Een aantal weken later was het huis een nog grotere bende geworden. Pieter was Irene helemaal vergeten. De troep in zijn huis maakte het dat hij zich erg onrustig voelde.
Het was nog vroeg in de avond toen hij twijfelde om naar bed te gaan of nog even televisie te kijken. Hij besloot het laatste te doen.
Pieter praatte niet, hij fluisterde, anders zouden de buren hem horen en denken dat hij gek was, want waarom zou iemand die alleen woonde hardop praten als er niemand was die iets terug zei.
Terwijl hij een saai programma keek, was hij zo moe dat hij tijdens het kijken al niet meer wist wat er bezig was.
De kat liep liep doelloos op en neer, want de vloer was zo bezaait met papieren en folders, dat er geen plek om te liggen te vinden was.
De volgende ochtend staarde Pieter naar de vlokken sneeuw die voor het raam dwarrelden. Eén, twee, drie, vier... Het waren er erg veel.
Hij hield op met tellen, want het was een saaie en zinloze bezigheid. Maar waar moest hij zich mee bezig houden.
De rommel opruimen dan maar. Hij ondernam een poging, vond een zak chips in een kast en begon die zak leeg te eten. Brimbol speelde met de op de grond gegooide propjes papier en at soms wat van de chipskruimels op de grond.
De bel ging. Het was een vrouw met lange rode haren. Ze was iets aan het vertellen.
“Luister je wel naar wat ik zeg?” vroeg ze.
Haar stem kwam bekend voor. Wie was ze ook al weer? Hij keek haar in haar ogen. Hele bekende ogen. Het leek alsof ze elk moment in woede of in verdriet kon uitbarsten.
“Pieter je hoort met toch wel.”
“Natuurlijk hoor ik je.”
“Waarom reageer je dan niet?”
Wat had ze gezegd? Pieter wist het niet en durfde er niet naar te vragen. Hij keek haar diep in de ogen aan, een poging om de verloren woorden uit haar gedachten te pakken, maar ze kwamen niet. Er kwamen wel tranen in haar ogen.
“Is er iets?” vroeg ze bijna fluisterend.
“Nee,” Pieter knikte erbij, “er is niets.”
“Je ogen tranen.”
“Het is hier ook zo stoffig.”
Hij keek naar de onderkant van zijn voeten, die grijs waren geworden van de stof die op de grond lag. Dit leek niet op het huis dat hij eens zelf had ingericht. De meubels waren onzichtbaar geworden door de stapels papier die eroverheen lagen. Pieter zelf stond op het punt te verdwijnen als hij niet snel zou ingrijpen.
Terwijl Pieter naar zijn rommel keek, ontstond er een lichtje in Irene's ogen. Ze glimlachte voorzichtig, maar Pieter voelde daar een enorme warmte vanaf komen. Ze zei: “Je begrijpt wat ik gezegd heb.”
Ze stond klaar om hem te omhelzen, maar hield dit in en zei: “Ik help je mee om je huis op te ruimen.”
“Dat is goed.”
Irene maakte aanstalten om de eerste stapel papier te doorzoeken.
“Hier heb je wat oude afschriften. Heb je ze al betaald?”
“Ik geloof deze wel.”
“En een klokhuis.” lachte ze.
“Gooi maar weg.”
Ze pakte een stapel papier en verzamelde nog een aantal stapels, totdat ze vanaf haar buik tot haar kin vol papier zat. Deze enorme stapel gooide ze over Pieter heen, die wat dromerig vooruitstaarde. Hij leek wakker te schrikken en niet te begrijpen waarom ze dit nu weer deed.
Toen omhelsde ze hem, gaf hem een kus, bleef aan hem vastkleven en fluisterde in zijn oor: “Het komt goed.”
Pieter stond op en zuchtte van opluchting.
“Zoek jij die papieren op de grond dan even uit!” riep ze bevelend en vervolgens lachte ze.
Pieter glimlachte voorzichtig terug.
Abonneren op:
Reacties (Atom)