donderdag 24 december 2009

Een zacht winters briesje

Door het huis waaide een zacht winters briesje. De verwarming stond aan, maar het werd er niet behaaglijker op. Vader keek moeder aan. Moeder reageerde niet. Vervolgens zei hij tegen de kinderen: “Hebben jullie nog wat meegemaakt op school.”
Beide jongens Joris en Dirk, keken elkaar aan alsof ze wilde zeggen, 'wat moet die sukkel nou!'.
“Ans! jongens! Waarom zeggen jullie me niets.”
Vuil keek ze dwars door hem heen. Het leek alsof als zijn ingewanden door haar blik begonnen te koken. Het voelde alsof hij elk moment uit elkaar kon barsten.
“Je houdt toch nog van me.” Hij deed een poging lief te kijken en probeerde zijn vrouw een kus te geven. Zij draaide haar gezicht om, stond op en ging naar boven om te gaan slapen.
“Gaan jullie ook naar bed?” vroeg Ans aan haar kinderen.
Zij stonden op en gingen gehoorzaam naar bed.
Willem zat nu alleen en dacht na over hoe het er allemaal aan toe ging bij hem thuis en in zijn leven. Of de rest van de familie erbij zat of niet, hij was altijd alleen. Als hij bij vrienden was, dan was hij degene waar niet tegen gepraat werd.
Door het huis waaide een zacht winters briesje en laat dat nou de reden zijn, waardoor hij zich ondanks alles toch wat comfortabel voelde.
Hij ging in een stoel zitten en las en boek totdat hij in slaap viel.

De volgende ochtend riep Ans haar kinderen, zodat ze zich in orde konden maken voor school. Ontbijten en daarna goed aankleden met een dikke jas, handschoenen en een sjaal. Het was winter, de sneeuw lag een halve meter hoog. Het zou een vermoeiende reis worden, die honderd meter naar school te lopen.
Ze pakte het boek van Willems gezicht af en legde dit op de tafel. Daarna vertrok ze met haar kinderen.

Het was half 9 toen Willem wakker werd. Hij had al twee en een half uur op zijn werk moeten zijn. Kon niemand hem optijd wakker maken?
Nee, want niemand praatte nog met hem. Hij had geen idee waarom niet. Hij kon zich herinneren dat tot ongeveer een maand geleden iedereen nog heel normaal tegen hem deed. Plotseling reageerde iedereen alsof hij dood was en hij had het gevoel dat hij zich na een aantal weken ook zo begon te gedragen. Waar was het enthousiasme? Waar was de levenslust?
Waar hij zich het meest druk over maakte, was Ans. Konden ze niet heel goed met elkaar opschieten. Ze voelden elkaar altijd precies aan. Tot een maand geleden waren ze een hecht stel, totaal niet uit elkaar gegroeid.
“Als ik dan toch zo goed als dood ben, waarom ga ik er dan niet vandoor?”

En toen Ans terug kwam van de kinderen naar school brengen, was hij er niet meer. Er was alleen nog die koude ijzige wind, die haar verstikte. Die wind die in het huis bleef hangen, waardoor zij en haar kinderen zich constant onbehaaglijk voelde. En een jaar later toen ze naar een kleiner appartement op drie hoog verhuisde, leek ze in dat appartement nog steeds dat onbehaaglijke gevoel te hebben. Al die tijd zagen ze Willem niet. Niemand zag hem. Hij werd niet als vermist opgegeven, want hij bestond toch al niet meer. Het was alsof het niet denken aan hem, zijn aanwezigheid deed verdwijnen.

Op een zomerse dag zei Dirk: “Ik heb met papa gesproken.”
Ans keek haar zoon kwaad aan.
“Ik heb echt met hem gesproken.”
“Je vader is er niet meer. Maak niet van de rare grappen.”
“Hij heeft met hem gesproken,” stond Joris hem bij, “ik heb het gezien.”
“Hou er over op!” De kinderen waren stil, voor de rest van de dag.
Ans werd niet goed van haar kinderen. Ze bleven over haar man spreken. En ze beschouwde haar ook steeds meer als een grote leugenaar. Dat irriteerde haar en ze begon steeds meer te snauwen naar haar kinderen, totdat ze op een dag helemaal niets meer zeiden. En op een dag verdwenen ze, alsof kinderen die plotseling totaal niets meer zeggen oplossen in de lucht. Die lucht voelde killer aan dan ooit tevoren. Overal waar ze kwam, had ze het koud, al was het dertig graden Celsius.

Ze had zelf geen idee waarom ze hem was gaan haten. Opeens was het zo. Dus moest ze wat. De leugen werkte goed. iets te goed, want opeens wilde niemand meer met Willem omgaan. Ze had zichzelf die dag enorm toegetakeld en tegen iedereen die ze tegenkwam vertelde ze dat ze mishandeld werd door haar man en dat ze eigenlijk weg wilde gaan om haar zoontjes te beschermen. Tegen haar man mompelde ze wat over een ongeluk en daarna zij ze niets meer. Het kwam eigenlijk ook goed uit dat hij opeens verdween, want dan hoefde ze zich niet meer zo te ergeren.
En nu zat ze helemaal alleen op haar appartement. De zomer was heet en het was bijna veertig graden binnen en nog had ze het koud. Er was niets meer. Waarom zou zij dan ook niet verdwijnen? Net zoals haar man en haar kinderen?

Willem vond het niet helemaal eerlijk. Hij had nu de kinderen en zijn voormalige vrouw had geen afscheid kunnen nemen. Daarom besloot hij hen naar haar toe te brengen.
“Uiteindelijk moeten jullie zelf beslissen bij wie jullie willen wonen.”
“Wij willen bij jou blijven.” zeiden de kinderen tegelijkertijd.
“Maar als jullie toch bij jullie moeder willen zijn, respecteer ik jullie keus.” Eigenlijk hoopte hij van niet, maar was het wel dan zou hij zich daarbij neerleggen.
Bij het appartement aangekomen bleek de deur open te staan. De kamer was zo warm dat je op je huid kon bakken als je te lang binnen zou zitten. Ans was niet aanwezig en er werd ook niets meer van haar vernomen.