woensdag 4 februari 2009

Herfst, 16 februari 2006

"Het is herfst." zei Thomas Baardnagel op 16 februari 2006 om half acht in de ochtend, tegen zichzelf. Zijn spiegelbeeld knikte, het was inderdaad herfst.
Hij nam zijn dagboek van tafel en begon op een nieuw blad te schrijven. Een lege bladzijde voor een nieuw seizoen. Hij schreef: "16 februari 2006, het begin van de herfst.", sloot het boek en legde het terug op tafel. De spiegel nam hij mee naar de keuken.
"Wat wil jij voor ontbijt?"
"Een lekkere boterham met kaas?"
Het spiegelbeeld keek hem strak aan. Geen kaas dan.
"Misschien een boterham met jam?" Het spiegelbeeld knikte hevig.
"Aardbeienjam." Het geknik werd nog heviger. En Thomas zelf had ook behoorlijk zin in een boterham met aardbeienjam.
Voordat hij aan de boterhammen begon, liep hij eerst nog even de kamer in. Daar schreef hij in zijn dagboek: "We gaan samen een boterham met aardbeienjam als ontbijt eten."
Hij besmeerde twee boterhammen. De een at hij zelf op. De ander voerde hij aan zijn vriend.
"Je zit weer flink te viezerikken." De spiegel kwam onder te zitten met kruimels en rode vegen.
"Je gezicht zit helemaal onder, vooral bij je mondhoeken. Ik veeg het wel af met dit doekje."
De spiegel stond op de aanrecht en leunde tegen het keukenkastje, toen Thomas het met zijn naar oud water ruikend doekje schoonmaakte. Op dat moment ging de bel.
Omdat Thomas snel moest zijn, hij moest voor het openmaken van de deur nog even iets in zijn dagboek schrijven, duwde hij per ongeluk de spiegel iets schever, waardoor deze langzaam begon te schuiven. Hij schreef: "Het ontbijt was heerlijk. Alleen zat Tim weer helemaal onder."
Achter de deur stond Willem Baardnagel. Thomas grotere en sterkere broer. Toen Willem het huis binnen ging, hoorden beiden een luid gerinkel vanuit de keuken.
"Tim," schreeuwde Thomas uit, "Tim! Wat heb ik gedaan! Ik ben een moordenaar! Een moordenaar!"
"Wat loop je allemaal te jammeren het was maar een spiegel." Willem raapte de scherven met blote handen op. Hij had zulke grote dikke handen, dat hij maar weinig voelde.
"Nou gooi je Tim weg."
"Ik zorg wel voor een nieuwe Tim." En hij ging er weer vandoor.
Thomas rende, terwijl de tranen over zijn wangen liepen naar zijn dagboek, waar hij in schreef: "Vandaag was een zware dag. Tim is verongelukt. Hij komt niet meer terug."
Al gauw wilde hij naar bed gaan, zodat hij de volgende ochtend schoon met een nieuwe dag kon beginnen, maar de deurbel ging weer. Willem was teruggekomen, met een nieuwe spiegel. Die gaf hij aan zijn broer. "Zo, ik zei toch dat Tim zou terugkomen."
Thomas tuurde even in de spiegel, alsof hij opzoek was naar iets herkenbaars en zei na even gekeken te hebben: "Dit is Tim niet."
"Dit is Tim wel, kijk maar eens goed."
"Nee, ik zie hem niet. Dit is een normale spiegel."
Thomas liep naar de kamer om in zijn dagboek te schrijven. "Alsof ik niet genoeg heb meegemaakt. Mijn eigen broer, blijkt een bedrieger te zijn."
"Wat schreef je daar!" Het dagboek hield Thomas ingeklemd tussen zijn borst en armen. Maar de grote handen van Willem hadden geen moeite om het weg te nemen. Hij keek er een seconde in en begon vervolgens bulderend te lachen.
"Wat is dit? Schrijf jij een dagboek? Bwahaha! Schrijft mijn broertje een dagboek!"
Hij begon er hardop uit voor te lezen.
"16 februari 2006, het begin van de herfst.
We gaan samen een boterham met aardbeienjam eten.
Het ontbijt was heerlijk. Alleen zat Tim weer helemaal onder.
Vandaag was een zware dag. Tim is verongelukt.
Alsof ik niet genoeg heb meegemaakt. Mijn broer blijkt een bedrieger te zijn."
Voordat hij kon reageren op de vuist van zijn broer die hem recht in zijn gezicht raakte, lag Thomas al op de grond tussen de salontafel en de bank in.
"Dus ik ben een bedrieger." Hij zag Willem het dagboek in zijn broekzak steken en vertrekken.