"Lees alsjeblieft nog een verhaal voor." vroeg Bart Balisicum aan zijn moeder.
Moeder klapte het boek dicht en gaf haar zoon een kus voor het slapen gaan.
"Maar dat is geen verhaal."
"Het was een heel kort verhaal."
Natuurlijk was Bart er niet mee eens, hij protesteerde, "Als je geen verhaal voorleest, ga ik ook niet slapen."
Moeder liet hem de bladzijde zien waar het verhaal op stond, wat ze voorgelezen had. Het was een witte, lege, kale bladzijde.
"Maar dat is toch geen verhaal?"
"Jawel hoor en zo droevig dat ze de woorden niet eens hebben opgeschreven."
"Er staat wel een plaatje bij."
"Oh ja?" Moeder was verbaasd. Waar kwam dat plaatje nou weer vandaan.
Op de bladzijde stond een kleine blauwe streep van een pen. Zo'n klein streepje, die moest zich zeker wel heel erg eenzaam voelen op zo'n grote kale vlakte.
Bart was een beetje verlegen en op school speelde hij altijd alleen, alsof niemand begreep dat hij er meer moeite mee had om met andere te praten. Eigenlijk was hij net dat eenzaam streepje.
Er kwam een traan op zijn wangen.
"Is er iets?" vroeg moeder.
"Mag iets om mee te tekenen?"
Moeder gaf haar zoon een potlood.
Bart zette een streep naast de eenzame streep.
"Nou is hij niet meer alleen."
Moeder keek haar zoon met een trotse blik aan. "Nou heb je het verdrietige verhaal een positief einde gegeven." Ze gaf hem een kus.
"Welterusten."
"Welterusten."
maandag 5 december 2011
woensdag 25 mei 2011
Ralph
“Zet me hier maar af.” zei Ralph. Met een lachend gezicht vertrok hij. En ik zei niets.
De hele tijd onderweg zei ik niets.
Ik had spijt dat ik mee was gegaan. Spijt dat ik hem had opgehaald.
“Ben je moe?” vroeg hij nog.
“Laten we het daar op houden.”
Ik had het misschien best gezellig gevonden die dag. Maar helaas was Ralph aanwezig. Ralph met zijn aanstellerig gedrag. Ralph die constant in de belangstelling wilde staan.
De enige leuke grap die hij vertelde was mijn grap. Ik bedenk iets, misschien denk ik wel hardop ofzo, maar op een één of andere manier komt het bij Ralph terecht, die de grap aan de groep gaat vertellen. Bedankt daarvoor.
Op mijn telefoon verscheen een bericht. Ik had geen zin om hem te openen, omdat ik reed en het daarom niet echt veilig is, zeker in een bochtige weg midden in het bos, maar vooral omdat ik er toen ook echt geen zin in had.
Waarom zou ik kijken? Ik verwachtte niets. Ik had de hele avond niets gezegd. Niemand had wat aan mij gehad. Ik had één grap kunnen maken, maar die werd me ontnomen.
Misschien lag het aan mij en was ik moe. Dat behoorde inderdaad tot de mogelijkheden. Ik had een nogal drukke werkweek achter de rug en door de druk had ik een aantal fouten gemaakt, die het bedrijf behoorlijk veel had gekost. En ik zat nog in mijn proeftijd. Een aantal nachten had ik niet geslapen en aan het eind van de week gaat het moeite kosten om te doen alsof je je goed voelt.
Ik voelde me goed. Ik had tegen iedereen geglimlacht en tegen niemand iets gezegd.
Plotseling stond ik stil. Iets liep over de weg. Ik keek er goed naar, het leek meer op springen. Het bos leek ook donkerder dan anders, daarom dat ik zo schrok. Het was een kikker, die de weg over stak.
Ik dacht bij mezelf, “Als die kikker Ralph was geweest, was ik doorgereden.” Maar ik kon niet meer bij de gedachte waarom ik een hekel had aan Ralph.
Waarschijnlijk was het mijn eigen vermoeidheid en ik probeerde de gedachte om Ralph dood te rijden uit mijn hoofd te krijgen.
“Als het Ralph was geweest, kreeg hij een lift naar huis.” Toen opende ik de deur. De kikker sprong naar binnen.
“Kan die kikker mij horen, ofzo?” Hij sprong op de stoel naast me en ging daar netjes zitten, alsof hij wist hoe je in een auto hoort te zitten.
“Als die kikker Ralph is, krijgt hij een lift naar huis.”
Dus ik reed terug en zette de kikker bij Ralph thuis af. Toen ik aanbelde met de kikker in mijn hand was hij niet blij.
“Het is drie uur ‘s nachts. Ik lig al een paar uur in bed.”
“Sorry dat ik je wakker maak, maar ik kom de kikker thuis brengen.”
“Kikker? Zei je nou kikker?” Hij keek me vragend aan.
“Ja, deze kikker.” Ik vouwde mijn hand open en wees de kikker aan.
“Wat moet ik met een kikker?”
“Nou, ik breng hem naar huis.”
“Ga een ander lopen vervelen.” Hij was al niet blij, omdat ik hem uit bed gebeld had, maar langzaam begon hij kwaad te worden.
“Waarom wordt je nou boos?” vroeg ik. En toen begon hij tegen mij uit te vallen.
Het was dat hij met me mee reed, dat hij zich had ingehouden afgelopen avond, maar ik was de sfeerverpester op het feest. Daar kwamen zijn woorden in het kort op neer.
“Maar je hoeft geen kikker?” vroeg ik.
De deur werd met een klap, bijna tegen mijn neus aan, dichtgesmeten.
Terwijl ik terugliep naar mijn auto, dacht ik “wat nu?, nou loop ik hier met een kikker en in mijn telefoon staat nog een ongelezen bericht.” Niet dat het wat met elkaar te maken had, maar toen ik in de auto zat besloot ik het bericht te lezen.
“Hou van je, liefs Bloesem”
Het kwam niet van een nummer dat in mijn telefoonboek stond. Wie was bloesem?
Was ze één van de meisjes op het feest en zo ja, wie. Al kon ik niet begrijpen dat er iemand was, omdat ik niemand gesproken had. Het was zeker geen Ysa. Ze mag mij niet en ik mag haar niet. Die ijzige blik die ze iedereen toewerpt en die bemoeizucht van haar, dat is helemaal niets voor mij. Hopelijk was het geen Ysa.
Dan nog beter Truitje. Een meisje waar het woord aardig voor uitgevonden is. Heette ze echt Truitje. Het zal wel, iedereen noemde haar zo. Ik kende haar niet zo, maar ze was altijd en overal, tegen iedereen even vriendelijk. Gewoon aardig dus, niet zo heel speciaal.
Maar wie was Bloesem? Ik kende geen meisje met die naam. Misschien was Bloesem de kikker. Ik kreeg het bericht iets voor dat de kikker over stak. Dat zou betekenen dat als ik de kikker zou gaan kussen, het verandert in een prachtige prinses.
Ik was alleen en voelde me soms eenzaam, dus waarom niet proberen.
Met beiden handen hield ik de kikker vast en bracht haar naar mijn mond. En van mijn mond af. Ik kon een misselijk gevoel niet onderdrukken. Terwijl ik de kikker aanschouwde en dacht dat ik die zometeen zou gaan kussen, voelde ik het eten van afgelopen dag omhoog komen.
Niet denken, gewoon doen. Ik moest er doorheen, want dan zat er een prinses naast me in de auto.
Met dichtgeknepen ogen gaf ik de kikker een zoen.
Vol verbazing keek ik naar haar. “Dus jij bent Bloesem?”
En zo zag ze er ook uit als een Bloesem. D’r haren fel rood. Haar ogen glinsterde in het maanlicht, die door de voorruit van mijn auto scheen. Ik werd er ook een beetje bang voor, dat ze tegen het einde van de lente zou gaan verdorren, zoals echte bloesems ook doen.
Het duurde even voor ze antwoord gaf. Misschien was ze ook zo verbaast dat ze opeens bij mij in de auto zat. Maar uiteindelijk zag ik, hoewel wat aarzelend, haar mond bewegen. Er kwam een luid geluid uit. Iets van “Kwaaak!”
Ik keek verschrikt naar Bloesem, maar naast me zat een gewone kikker. Die kikker bracht ik naar de plek waar hij in mijn auto sprong en daar liet ik hem weer los.
Onderweg naar huis, vroeg ik met nog steeds af wie Bloesem was en waarom die kikker in mijn auto gesprongen was. Het leek zo vreemd. Misschien had ik het gedroomt? Misschien had ik slaap nodig?
De hele tijd onderweg zei ik niets.
Ik had spijt dat ik mee was gegaan. Spijt dat ik hem had opgehaald.
“Ben je moe?” vroeg hij nog.
“Laten we het daar op houden.”
Ik had het misschien best gezellig gevonden die dag. Maar helaas was Ralph aanwezig. Ralph met zijn aanstellerig gedrag. Ralph die constant in de belangstelling wilde staan.
De enige leuke grap die hij vertelde was mijn grap. Ik bedenk iets, misschien denk ik wel hardop ofzo, maar op een één of andere manier komt het bij Ralph terecht, die de grap aan de groep gaat vertellen. Bedankt daarvoor.
Op mijn telefoon verscheen een bericht. Ik had geen zin om hem te openen, omdat ik reed en het daarom niet echt veilig is, zeker in een bochtige weg midden in het bos, maar vooral omdat ik er toen ook echt geen zin in had.
Waarom zou ik kijken? Ik verwachtte niets. Ik had de hele avond niets gezegd. Niemand had wat aan mij gehad. Ik had één grap kunnen maken, maar die werd me ontnomen.
Misschien lag het aan mij en was ik moe. Dat behoorde inderdaad tot de mogelijkheden. Ik had een nogal drukke werkweek achter de rug en door de druk had ik een aantal fouten gemaakt, die het bedrijf behoorlijk veel had gekost. En ik zat nog in mijn proeftijd. Een aantal nachten had ik niet geslapen en aan het eind van de week gaat het moeite kosten om te doen alsof je je goed voelt.
Ik voelde me goed. Ik had tegen iedereen geglimlacht en tegen niemand iets gezegd.
Plotseling stond ik stil. Iets liep over de weg. Ik keek er goed naar, het leek meer op springen. Het bos leek ook donkerder dan anders, daarom dat ik zo schrok. Het was een kikker, die de weg over stak.
Ik dacht bij mezelf, “Als die kikker Ralph was geweest, was ik doorgereden.” Maar ik kon niet meer bij de gedachte waarom ik een hekel had aan Ralph.
Waarschijnlijk was het mijn eigen vermoeidheid en ik probeerde de gedachte om Ralph dood te rijden uit mijn hoofd te krijgen.
“Als het Ralph was geweest, kreeg hij een lift naar huis.” Toen opende ik de deur. De kikker sprong naar binnen.
“Kan die kikker mij horen, ofzo?” Hij sprong op de stoel naast me en ging daar netjes zitten, alsof hij wist hoe je in een auto hoort te zitten.
“Als die kikker Ralph is, krijgt hij een lift naar huis.”
Dus ik reed terug en zette de kikker bij Ralph thuis af. Toen ik aanbelde met de kikker in mijn hand was hij niet blij.
“Het is drie uur ‘s nachts. Ik lig al een paar uur in bed.”
“Sorry dat ik je wakker maak, maar ik kom de kikker thuis brengen.”
“Kikker? Zei je nou kikker?” Hij keek me vragend aan.
“Ja, deze kikker.” Ik vouwde mijn hand open en wees de kikker aan.
“Wat moet ik met een kikker?”
“Nou, ik breng hem naar huis.”
“Ga een ander lopen vervelen.” Hij was al niet blij, omdat ik hem uit bed gebeld had, maar langzaam begon hij kwaad te worden.
“Waarom wordt je nou boos?” vroeg ik. En toen begon hij tegen mij uit te vallen.
Het was dat hij met me mee reed, dat hij zich had ingehouden afgelopen avond, maar ik was de sfeerverpester op het feest. Daar kwamen zijn woorden in het kort op neer.
“Maar je hoeft geen kikker?” vroeg ik.
De deur werd met een klap, bijna tegen mijn neus aan, dichtgesmeten.
Terwijl ik terugliep naar mijn auto, dacht ik “wat nu?, nou loop ik hier met een kikker en in mijn telefoon staat nog een ongelezen bericht.” Niet dat het wat met elkaar te maken had, maar toen ik in de auto zat besloot ik het bericht te lezen.
“Hou van je, liefs Bloesem”
Het kwam niet van een nummer dat in mijn telefoonboek stond. Wie was bloesem?
Was ze één van de meisjes op het feest en zo ja, wie. Al kon ik niet begrijpen dat er iemand was, omdat ik niemand gesproken had. Het was zeker geen Ysa. Ze mag mij niet en ik mag haar niet. Die ijzige blik die ze iedereen toewerpt en die bemoeizucht van haar, dat is helemaal niets voor mij. Hopelijk was het geen Ysa.
Dan nog beter Truitje. Een meisje waar het woord aardig voor uitgevonden is. Heette ze echt Truitje. Het zal wel, iedereen noemde haar zo. Ik kende haar niet zo, maar ze was altijd en overal, tegen iedereen even vriendelijk. Gewoon aardig dus, niet zo heel speciaal.
Maar wie was Bloesem? Ik kende geen meisje met die naam. Misschien was Bloesem de kikker. Ik kreeg het bericht iets voor dat de kikker over stak. Dat zou betekenen dat als ik de kikker zou gaan kussen, het verandert in een prachtige prinses.
Ik was alleen en voelde me soms eenzaam, dus waarom niet proberen.
Met beiden handen hield ik de kikker vast en bracht haar naar mijn mond. En van mijn mond af. Ik kon een misselijk gevoel niet onderdrukken. Terwijl ik de kikker aanschouwde en dacht dat ik die zometeen zou gaan kussen, voelde ik het eten van afgelopen dag omhoog komen.
Niet denken, gewoon doen. Ik moest er doorheen, want dan zat er een prinses naast me in de auto.
Met dichtgeknepen ogen gaf ik de kikker een zoen.
Vol verbazing keek ik naar haar. “Dus jij bent Bloesem?”
En zo zag ze er ook uit als een Bloesem. D’r haren fel rood. Haar ogen glinsterde in het maanlicht, die door de voorruit van mijn auto scheen. Ik werd er ook een beetje bang voor, dat ze tegen het einde van de lente zou gaan verdorren, zoals echte bloesems ook doen.
Het duurde even voor ze antwoord gaf. Misschien was ze ook zo verbaast dat ze opeens bij mij in de auto zat. Maar uiteindelijk zag ik, hoewel wat aarzelend, haar mond bewegen. Er kwam een luid geluid uit. Iets van “Kwaaak!”
Ik keek verschrikt naar Bloesem, maar naast me zat een gewone kikker. Die kikker bracht ik naar de plek waar hij in mijn auto sprong en daar liet ik hem weer los.
Onderweg naar huis, vroeg ik met nog steeds af wie Bloesem was en waarom die kikker in mijn auto gesprongen was. Het leek zo vreemd. Misschien had ik het gedroomt? Misschien had ik slaap nodig?
zaterdag 1 januari 2011
Tante zet koffie
Het is zaterdagmiddag half drie. Zoals gewoonlijk verwacht Tante dan een hoop bezoek. Ze heeft dan altijd de koffie klaarstaan en soms, ik denk ongeveer één keer per twee maanden kom ik langs. Dan zie ik dat alle stoelen in het huis rondom de kleine houten salontafel in de woonkamer zijn geplaatst.
Het is een groot oud huis waar ze in woont. In de zomer is het benauwd en heet en in de winter lijkt het alsof er een koude ijzige wind door het huis heen waait. Het huis ziet er mooi uit van buiten, maar erg comfortabel is het niet. En daar woont ze al jaren alleen, afgelegen in een groot bos. Het schijnt dat ze op doordeweekse dagen constant naar buiten kijkt in de richting van het pad dat op de straat uit komt, alsof ze iemand verwacht. Iemand die jaren niet is op komen dagen.
Ze is al erg oud. Hoe oud, weet ik niet, maar heel oud in ieder geval. Ze is ook geen familie van me, maar ze wilt graag dat iedereen haar Tante noemt. Dus ik noem haar Tante.
De koffie is altijd goed. Ik ken niemand die betere koffie zet dan Tante. Maar of dat de reden is dat ik na een aantal maanden weer terug kom, weet ik niet. Ze geeft me koffie. Ze lacht vriendelijk naar me met haar ingevallen en gerimpelde gezicht. Dan drink ik mijn koffie op.
Een bank en tien stoelen, waarvan er twee bezet zijn, rondom een oude en stoffige salontafel. De kopjes zijn niet helemaal schoon en het lijkt erop alsof ze de laatste tijd nog wat viezer zijn dan anders. Er ligt een laagje stof op alles in het huis. Tantes grijze haren lijken af en toe één met het stof. Soms moet ik niezen en dwarrelt het stof alle kant op. Laatst keek ik toen naar buiten en zag dat het aan het sneeuwen was. Terwijl het door mij weggenieste stof ervoor zorgde dat alles weer zijn grijze laagje terug kreeg, zorgde de sneeuw ervoor dat alles buiten van een wit laagje voorzien werd.
“Tante, het zou wel eens een koude winter kunnen worden.” zei ik tegen Tante, maar ze leek er niet op te reageren.
Ze reageert nooit op mijn woorden. Als ik ze de deur openmaakt nadat ik geklopt hebt, glimlacht ze. Als ze net koffie ingeschonken heeft, dan glimlacht ze naar me. Als ik vertrek en het lange pad naar de weg afloop, blijft ze me glimlachend door de open deur volgen, totdat ik bij de straat ben. Dan gaat de deur pas dicht. Maar praten doet ze nooit.
Een lange tijd geleden, toen ik nog klein was, raakte ik verdwaald in het bos. Het was donker aan het worden en tussen de bomen zag ik licht branden, niet eens zo ver weg. Bij dat huis heb ik toen aangeklopt. Er werd opengedaan door een oude vrouw. Ze zei niets en keek alleen maar kwaad naar mij. Toen ben ik weggerend. Ik was bang. Thuis vertelde ik mijn moeder erover.
Ze lachte en zei: “We gaan zaterdagmiddag naar haar toe, dan heeft ze koffie klaar staan. Dan verwacht ze mensen en ben je welkom.”
Dit leek me niet echt een goed idee. Maar ik ben meegegaan. De koffie was heerlijk. Het was de eerste koffie die ik in mijn leven gedronken had. Normaal vinden kinderen van een jaar of tien koffie vies. Ik was niet anders dan die andere kinderen, maar de koffie die deze vrouw zette was zo heerlijk, dat ik altijd met regelmaat bij haar terug ben gegaan.
Het viel me op dat mijn moeder haar steeds tante noemde. Ik vroeg aan haar waarom.
“Omdat ze zo heet,” antwoordde ze, “jij wilt toch ook bij je voornaam genoemd worden, Peter?”
Ik knikte.
“Dus deze vrouw wilt dat ook. Daarom noemt iedereen haar Tante.”
Het is zaterdagmiddag half drie. Ik sta voor de deur en klop aan. Terwijl ik wacht, het duurt langer voor er opengedaan wordt, bekijk ik het huis. Het ziet er meer verwaarloosd uit dan ooit. Het grote raam van de woonkamer is gebroken. Ik loop er naar toe om het te inspecteren. De salontafel is niet gedekt en ook staan er geen stoelen omheen. Ik roep “Tante!” door het open raam, maar er lijkt niemand op te reageren.
Binnen hangen de ijspegels aan het plafond. De grijze stoflaag wordt bedekt door de sneeuw dat het huis binnendwarrelt. Op alles in het huis ligt een wit laagje.
Het stopt met sneeuwen. Het is stil.
De zon begint de schijnen. Het geeft een vreemd beeld, als ik zie hoe het huis verlicht wordt. Vooral met de sneeuw in het huis dat het zonlicht weerkaatst. Als ik het pad terugloop en achteruit kijk is net net alsof het huis nog bewoond is en alsof er in de woonkamer kaarsen branden als verlichting.
Deze avond heeft mijn moeder me een overlijdens advertentie laten zien van een maand geleden. Er staan geen datums in. Ook geen namen van familie of vrienden. Er staat alleen, “Overleden: Tante”.
“Ze vond het fijn dat je af en toe langs kwam.” zegt ze.
Het is een groot oud huis waar ze in woont. In de zomer is het benauwd en heet en in de winter lijkt het alsof er een koude ijzige wind door het huis heen waait. Het huis ziet er mooi uit van buiten, maar erg comfortabel is het niet. En daar woont ze al jaren alleen, afgelegen in een groot bos. Het schijnt dat ze op doordeweekse dagen constant naar buiten kijkt in de richting van het pad dat op de straat uit komt, alsof ze iemand verwacht. Iemand die jaren niet is op komen dagen.
Ze is al erg oud. Hoe oud, weet ik niet, maar heel oud in ieder geval. Ze is ook geen familie van me, maar ze wilt graag dat iedereen haar Tante noemt. Dus ik noem haar Tante.
De koffie is altijd goed. Ik ken niemand die betere koffie zet dan Tante. Maar of dat de reden is dat ik na een aantal maanden weer terug kom, weet ik niet. Ze geeft me koffie. Ze lacht vriendelijk naar me met haar ingevallen en gerimpelde gezicht. Dan drink ik mijn koffie op.
Een bank en tien stoelen, waarvan er twee bezet zijn, rondom een oude en stoffige salontafel. De kopjes zijn niet helemaal schoon en het lijkt erop alsof ze de laatste tijd nog wat viezer zijn dan anders. Er ligt een laagje stof op alles in het huis. Tantes grijze haren lijken af en toe één met het stof. Soms moet ik niezen en dwarrelt het stof alle kant op. Laatst keek ik toen naar buiten en zag dat het aan het sneeuwen was. Terwijl het door mij weggenieste stof ervoor zorgde dat alles weer zijn grijze laagje terug kreeg, zorgde de sneeuw ervoor dat alles buiten van een wit laagje voorzien werd.
“Tante, het zou wel eens een koude winter kunnen worden.” zei ik tegen Tante, maar ze leek er niet op te reageren.
Ze reageert nooit op mijn woorden. Als ik ze de deur openmaakt nadat ik geklopt hebt, glimlacht ze. Als ze net koffie ingeschonken heeft, dan glimlacht ze naar me. Als ik vertrek en het lange pad naar de weg afloop, blijft ze me glimlachend door de open deur volgen, totdat ik bij de straat ben. Dan gaat de deur pas dicht. Maar praten doet ze nooit.
Een lange tijd geleden, toen ik nog klein was, raakte ik verdwaald in het bos. Het was donker aan het worden en tussen de bomen zag ik licht branden, niet eens zo ver weg. Bij dat huis heb ik toen aangeklopt. Er werd opengedaan door een oude vrouw. Ze zei niets en keek alleen maar kwaad naar mij. Toen ben ik weggerend. Ik was bang. Thuis vertelde ik mijn moeder erover.
Ze lachte en zei: “We gaan zaterdagmiddag naar haar toe, dan heeft ze koffie klaar staan. Dan verwacht ze mensen en ben je welkom.”
Dit leek me niet echt een goed idee. Maar ik ben meegegaan. De koffie was heerlijk. Het was de eerste koffie die ik in mijn leven gedronken had. Normaal vinden kinderen van een jaar of tien koffie vies. Ik was niet anders dan die andere kinderen, maar de koffie die deze vrouw zette was zo heerlijk, dat ik altijd met regelmaat bij haar terug ben gegaan.
Het viel me op dat mijn moeder haar steeds tante noemde. Ik vroeg aan haar waarom.
“Omdat ze zo heet,” antwoordde ze, “jij wilt toch ook bij je voornaam genoemd worden, Peter?”
Ik knikte.
“Dus deze vrouw wilt dat ook. Daarom noemt iedereen haar Tante.”
Het is zaterdagmiddag half drie. Ik sta voor de deur en klop aan. Terwijl ik wacht, het duurt langer voor er opengedaan wordt, bekijk ik het huis. Het ziet er meer verwaarloosd uit dan ooit. Het grote raam van de woonkamer is gebroken. Ik loop er naar toe om het te inspecteren. De salontafel is niet gedekt en ook staan er geen stoelen omheen. Ik roep “Tante!” door het open raam, maar er lijkt niemand op te reageren.
Binnen hangen de ijspegels aan het plafond. De grijze stoflaag wordt bedekt door de sneeuw dat het huis binnendwarrelt. Op alles in het huis ligt een wit laagje.
Het stopt met sneeuwen. Het is stil.
De zon begint de schijnen. Het geeft een vreemd beeld, als ik zie hoe het huis verlicht wordt. Vooral met de sneeuw in het huis dat het zonlicht weerkaatst. Als ik het pad terugloop en achteruit kijk is net net alsof het huis nog bewoond is en alsof er in de woonkamer kaarsen branden als verlichting.
Deze avond heeft mijn moeder me een overlijdens advertentie laten zien van een maand geleden. Er staan geen datums in. Ook geen namen van familie of vrienden. Er staat alleen, “Overleden: Tante”.
“Ze vond het fijn dat je af en toe langs kwam.” zegt ze.
Abonneren op:
Reacties (Atom)