woensdag 25 maart 2009

Brimbol de kat

Terwijl de wind de papieren door de kamer liet waaien, was Pieter haastig op zoek naar de kat. Er lagen scherven op de grond en dat kwam doordat Brimbol een glas had omgestoten. Pieter had snel de scherven bij elkaar geraapt en de splinters opgezogen met de stofzuiger, want stel je voor dat de kat een stukje glas binnen krijgt, dan zou ze sterven.
Brimbol, waar zit je!
Hij keek onder de bank, waar de kat zich wel eens vaker verstopte, maar daar zat hij niet. Misschien zat hij in de douche, of was hij in één van de kasten gekropen. Hij was nergens te vinden. Een koude wind waaide door het raam en toen Pieter die kant op keek, zag hij dat het raam iets verder openstond als hij gedacht had. De kat was naar buiten gesprongen.
Snel rende hij naar buiten en toen hij buiten was begon het te sneeuwen. Waar was die kat?
“Brimbol! Brimbol! Waar zit je?”
Er kwam geen reactie. Pieter keek naar de grond, misschien dat er kattensporen waren ontstaan op de inmiddels wit geworden stoep. Die waren er niet. Toen hij zijn hoofd terug omhoog boog, zag hij vlak voor zijn neus een jonge vrouw staan. Hij was net niet tegen haar gebotst.
Hij schrok toen hij haar in haar grote bruine ogen keek. Ze lachte, terwijl de wind haar rode haren in haar gezicht blies. Door het lantaarnlicht dat op haar scheen leek ze in brand te staan.
“Ken je me nog?” vroeg ze.
“Waarvan zou ik je moeten kennen?”
“Je bent toch Pieter Nachtkaars.”
“Ja dat ben ik, maar waarvan moet ik jou kennen?”
“Dat weet je toch wel. Ik ben je buurmeisje Irene.”
Even dacht hij dat er een lampje ging branden, maar dat doofde direct weer en hij wist nog steeds niet waarvan hij deze vrouw kende. Hij vroeg of zij een kat had gezien.
“Een grijs gestreepte kat? Die zit nu bij mij binnen. Ik vond hem zo zielig in dit koude weer en toen begon het nog te sneeuwen ook . Dus heb ik hem binnen gehaald.”

Bij Irene thuis dronken ze samen koffie en Pieter aanschouwde zijn kat, die het wel erg naar zijn zin had. Hij gedroeg zich alsof hij er al jaren woonde.
Als snel nam hij zijn kat mee naar huis, maar toen hij bij zijn flatje was aangekomen, bleek hij geen sleutel bij zich te hebben. In paniek liet Pieter Brimbol vallen en de kat rende direct naar het huisje van Irene. Na vijf keer zijn zakken onderzocht te hebben en drie keer heen en weer gelopen te hebben, gaf Pieter het op en besloot buiten de slapen.
“Ben je iets kwijt?” klonk een vriendelijke stem.
“Ben mijn sleutels verloren, denk ik, of vergeten.”
“Je raam staat open. De regenpijp inklimmen en je kunt zo je huis in.”
Hij keek naar de regenpijp en dacht bij zichzelf, daar klim ik echt niet in.
“Je herkent me echt niet meer hè.”
Pieter knikte nee. Haar ogen stonden nu een stuk droeviger en ze leek aanstalten te maken om naar huis terug te gaan. Toen glimlachte ze en zei, “Maar ik zal je deze keer helpen.” En ze begon de regenpijp in de klimmen.
“Kom me maar achterna riep ze.”
Nee, dat klimmen was niets voor hem. De regenpijp was nat en glad en bij elke beweging die Irene maakte kraakte het. Toen hij na veel overwegen een poging wou wagen, was Irene al boven door het raam geklommen.
“Ik zal de deur wel voor je openen,” riep ze naar beneden, “en je mag je huis wel eens opruimen.”

Een aantal weken later was het huis een nog grotere bende geworden. Pieter was Irene helemaal vergeten. De troep in zijn huis maakte het dat hij zich erg onrustig voelde.
Het was nog vroeg in de avond toen hij twijfelde om naar bed te gaan of nog even televisie te kijken. Hij besloot het laatste te doen.
Pieter praatte niet, hij fluisterde, anders zouden de buren hem horen en denken dat hij gek was, want waarom zou iemand die alleen woonde hardop praten als er niemand was die iets terug zei.
Terwijl hij een saai programma keek, was hij zo moe dat hij tijdens het kijken al niet meer wist wat er bezig was.
De kat liep liep doelloos op en neer, want de vloer was zo bezaait met papieren en folders, dat er geen plek om te liggen te vinden was.

De volgende ochtend staarde Pieter naar de vlokken sneeuw die voor het raam dwarrelden. Eén, twee, drie, vier... Het waren er erg veel.
Hij hield op met tellen, want het was een saaie en zinloze bezigheid. Maar waar moest hij zich mee bezig houden.
De rommel opruimen dan maar. Hij ondernam een poging, vond een zak chips in een kast en begon die zak leeg te eten. Brimbol speelde met de op de grond gegooide propjes papier en at soms wat van de chipskruimels op de grond.
De bel ging. Het was een vrouw met lange rode haren. Ze was iets aan het vertellen.
“Luister je wel naar wat ik zeg?” vroeg ze.
Haar stem kwam bekend voor. Wie was ze ook al weer? Hij keek haar in haar ogen. Hele bekende ogen. Het leek alsof ze elk moment in woede of in verdriet kon uitbarsten.
“Pieter je hoort met toch wel.”
“Natuurlijk hoor ik je.”
“Waarom reageer je dan niet?”
Wat had ze gezegd? Pieter wist het niet en durfde er niet naar te vragen. Hij keek haar diep in de ogen aan, een poging om de verloren woorden uit haar gedachten te pakken, maar ze kwamen niet. Er kwamen wel tranen in haar ogen.
“Is er iets?” vroeg ze bijna fluisterend.
“Nee,” Pieter knikte erbij, “er is niets.”
“Je ogen tranen.”
“Het is hier ook zo stoffig.”
Hij keek naar de onderkant van zijn voeten, die grijs waren geworden van de stof die op de grond lag. Dit leek niet op het huis dat hij eens zelf had ingericht. De meubels waren onzichtbaar geworden door de stapels papier die eroverheen lagen. Pieter zelf stond op het punt te verdwijnen als hij niet snel zou ingrijpen.
Terwijl Pieter naar zijn rommel keek, ontstond er een lichtje in Irene's ogen. Ze glimlachte voorzichtig, maar Pieter voelde daar een enorme warmte vanaf komen. Ze zei: “Je begrijpt wat ik gezegd heb.”
Ze stond klaar om hem te omhelzen, maar hield dit in en zei: “Ik help je mee om je huis op te ruimen.”
“Dat is goed.”
Irene maakte aanstalten om de eerste stapel papier te doorzoeken.
“Hier heb je wat oude afschriften. Heb je ze al betaald?”
“Ik geloof deze wel.”
“En een klokhuis.” lachte ze.
“Gooi maar weg.”
Ze pakte een stapel papier en verzamelde nog een aantal stapels, totdat ze vanaf haar buik tot haar kin vol papier zat. Deze enorme stapel gooide ze over Pieter heen, die wat dromerig vooruitstaarde. Hij leek wakker te schrikken en niet te begrijpen waarom ze dit nu weer deed.
Toen omhelsde ze hem, gaf hem een kus, bleef aan hem vastkleven en fluisterde in zijn oor: “Het komt goed.”
Pieter stond op en zuchtte van opluchting.
“Zoek jij die papieren op de grond dan even uit!” riep ze bevelend en vervolgens lachte ze.
Pieter glimlachte voorzichtig terug.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten