zaterdag 1 januari 2011

Tante zet koffie

Het is zaterdagmiddag half drie. Zoals gewoonlijk verwacht Tante dan een hoop bezoek. Ze heeft dan altijd de koffie klaarstaan en soms, ik denk ongeveer één keer per twee maanden kom ik langs. Dan zie ik dat alle stoelen in het huis rondom de kleine houten salontafel in de woonkamer zijn geplaatst.
Het is een groot oud huis waar ze in woont. In de zomer is het benauwd en heet en in de winter lijkt het alsof er een koude ijzige wind door het huis heen waait. Het huis ziet er mooi uit van buiten, maar erg comfortabel is het niet. En daar woont ze al jaren alleen, afgelegen in een groot bos. Het schijnt dat ze op doordeweekse dagen constant naar buiten kijkt in de richting van het pad dat op de straat uit komt, alsof ze iemand verwacht. Iemand die jaren niet is op komen dagen.
Ze is al erg oud. Hoe oud, weet ik niet, maar heel oud in ieder geval. Ze is ook geen familie van me, maar ze wilt graag dat iedereen haar Tante noemt. Dus ik noem haar Tante.
De koffie is altijd goed. Ik ken niemand die betere koffie zet dan Tante. Maar of dat de reden is dat ik na een aantal maanden weer terug kom, weet ik niet. Ze geeft me koffie. Ze lacht vriendelijk naar me met haar ingevallen en gerimpelde gezicht. Dan drink ik mijn koffie op.
Een bank en tien stoelen, waarvan er twee bezet zijn, rondom een oude en stoffige salontafel. De kopjes zijn niet helemaal schoon en het lijkt erop alsof ze de laatste tijd nog wat viezer zijn dan anders. Er ligt een laagje stof op alles in het huis. Tantes grijze haren lijken af en toe één met het stof. Soms moet ik niezen en dwarrelt het stof alle kant op. Laatst keek ik toen naar buiten en zag dat het aan het sneeuwen was. Terwijl het door mij weggenieste stof ervoor zorgde dat alles weer zijn grijze laagje terug kreeg, zorgde de sneeuw ervoor dat alles buiten van een wit laagje voorzien werd.
“Tante, het zou wel eens een koude winter kunnen worden.” zei ik tegen Tante, maar ze leek er niet op te reageren.
Ze reageert nooit op mijn woorden. Als ik ze de deur openmaakt nadat ik geklopt hebt, glimlacht ze. Als ze net koffie ingeschonken heeft, dan glimlacht ze naar me. Als ik vertrek en het lange pad naar de weg afloop, blijft ze me glimlachend door de open deur volgen, totdat ik bij de straat ben. Dan gaat de deur pas dicht. Maar praten doet ze nooit.

Een lange tijd geleden, toen ik nog klein was, raakte ik verdwaald in het bos. Het was donker aan het worden en tussen de bomen zag ik licht branden, niet eens zo ver weg. Bij dat huis heb ik toen aangeklopt. Er werd opengedaan door een oude vrouw. Ze zei niets en keek alleen maar kwaad naar mij. Toen ben ik weggerend. Ik was bang. Thuis vertelde ik mijn moeder erover.
Ze lachte en zei: “We gaan zaterdagmiddag naar haar toe, dan heeft ze koffie klaar staan. Dan verwacht ze mensen en ben je welkom.”
Dit leek me niet echt een goed idee. Maar ik ben meegegaan. De koffie was heerlijk. Het was de eerste koffie die ik in mijn leven gedronken had. Normaal vinden kinderen van een jaar of tien koffie vies. Ik was niet anders dan die andere kinderen, maar de koffie die deze vrouw zette was zo heerlijk, dat ik altijd met regelmaat bij haar terug ben gegaan.
Het viel me op dat mijn moeder haar steeds tante noemde. Ik vroeg aan haar waarom.
“Omdat ze zo heet,” antwoordde ze, “jij wilt toch ook bij je voornaam genoemd worden, Peter?”
Ik knikte.
“Dus deze vrouw wilt dat ook. Daarom noemt iedereen haar Tante.”

Het is zaterdagmiddag half drie. Ik sta voor de deur en klop aan. Terwijl ik wacht, het duurt langer voor er opengedaan wordt, bekijk ik het huis. Het ziet er meer verwaarloosd uit dan ooit. Het grote raam van de woonkamer is gebroken. Ik loop er naar toe om het te inspecteren. De salontafel is niet gedekt en ook staan er geen stoelen omheen. Ik roep “Tante!” door het open raam, maar er lijkt niemand op te reageren.
Binnen hangen de ijspegels aan het plafond. De grijze stoflaag wordt bedekt door de sneeuw dat het huis binnendwarrelt. Op alles in het huis ligt een wit laagje.
Het stopt met sneeuwen. Het is stil.
De zon begint de schijnen. Het geeft een vreemd beeld, als ik zie hoe het huis verlicht wordt. Vooral met de sneeuw in het huis dat het zonlicht weerkaatst. Als ik het pad terugloop en achteruit kijk is net net alsof het huis nog bewoond is en alsof er in de woonkamer kaarsen branden als verlichting.
Deze avond heeft mijn moeder me een overlijdens advertentie laten zien van een maand geleden. Er staan geen datums in. Ook geen namen van familie of vrienden. Er staat alleen, “Overleden: Tante”.
“Ze vond het fijn dat je af en toe langs kwam.” zegt ze.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten