woensdag 25 mei 2011

Ralph

“Zet me hier maar af.” zei Ralph. Met een lachend gezicht vertrok hij. En ik zei niets.
De hele tijd onderweg zei ik niets.
Ik had spijt dat ik mee was gegaan. Spijt dat ik hem had opgehaald.
“Ben je moe?” vroeg hij nog.
“Laten we het daar op houden.”
Ik had het misschien best gezellig gevonden die dag. Maar helaas was Ralph aanwezig. Ralph met zijn aanstellerig gedrag. Ralph die constant in de belangstelling wilde staan.
De enige leuke grap die hij vertelde was mijn grap. Ik bedenk iets, misschien denk ik wel hardop ofzo, maar op een één of andere manier komt het bij Ralph terecht, die de grap aan de groep gaat vertellen. Bedankt daarvoor.

Op mijn telefoon verscheen een bericht. Ik had geen zin om hem te openen, omdat ik reed en het daarom niet echt veilig is, zeker in een bochtige weg midden in het bos, maar vooral omdat ik er toen ook echt geen zin in had.
Waarom zou ik kijken? Ik verwachtte niets. Ik had de hele avond niets gezegd. Niemand had wat aan mij gehad. Ik had één grap kunnen maken, maar die werd me ontnomen.

Misschien lag het aan mij en was ik moe. Dat behoorde inderdaad tot de mogelijkheden. Ik had een nogal drukke werkweek achter de rug en door de druk had ik een aantal fouten gemaakt, die het bedrijf behoorlijk veel had gekost. En ik zat nog in mijn proeftijd. Een aantal nachten had ik niet geslapen en aan het eind van de week gaat het moeite kosten om te doen alsof je je goed voelt.
Ik voelde me goed. Ik had tegen iedereen geglimlacht en tegen niemand iets gezegd.

Plotseling stond ik stil. Iets liep over de weg. Ik keek er goed naar, het leek meer op springen. Het bos leek ook donkerder dan anders, daarom dat ik zo schrok. Het was een kikker, die de weg over stak.
Ik dacht bij mezelf, “Als die kikker Ralph was geweest, was ik doorgereden.” Maar ik kon niet meer bij de gedachte waarom ik een hekel had aan Ralph.
Waarschijnlijk was het mijn eigen vermoeidheid en ik probeerde de gedachte om Ralph dood te rijden uit mijn hoofd te krijgen.
“Als het Ralph was geweest, kreeg hij een lift naar huis.” Toen opende ik de deur. De kikker sprong naar binnen.
“Kan die kikker mij horen, ofzo?” Hij sprong op de stoel naast me en ging daar netjes zitten, alsof hij wist hoe je in een auto hoort te zitten.

“Als die kikker Ralph is, krijgt hij een lift naar huis.”
Dus ik reed terug en zette de kikker bij Ralph thuis af. Toen ik aanbelde met de kikker in mijn hand was hij niet blij.
“Het is drie uur ‘s nachts. Ik lig al een paar uur in bed.”
“Sorry dat ik je wakker maak, maar ik kom de kikker thuis brengen.”
“Kikker? Zei je nou kikker?” Hij keek me vragend aan.
“Ja, deze kikker.” Ik vouwde mijn hand open en wees de kikker aan.
“Wat moet ik met een kikker?”
“Nou, ik breng hem naar huis.”
“Ga een ander lopen vervelen.” Hij was al niet blij, omdat ik hem uit bed gebeld had, maar langzaam begon hij kwaad te worden.
“Waarom wordt je nou boos?” vroeg ik. En toen begon hij tegen mij uit te vallen.
Het was dat hij met me mee reed, dat hij zich had ingehouden afgelopen avond, maar ik was de sfeerverpester op het feest. Daar kwamen zijn woorden in het kort op neer.
“Maar je hoeft geen kikker?” vroeg ik.
De deur werd met een klap, bijna tegen mijn neus aan, dichtgesmeten.

Terwijl ik terugliep naar mijn auto, dacht ik “wat nu?, nou loop ik hier met een kikker en in mijn telefoon staat nog een ongelezen bericht.” Niet dat het wat met elkaar te maken had, maar toen ik in de auto zat besloot ik het bericht te lezen.
“Hou van je, liefs Bloesem”
Het kwam niet van een nummer dat in mijn telefoonboek stond. Wie was bloesem?
Was ze één van de meisjes op het feest en zo ja, wie. Al kon ik niet begrijpen dat er iemand was, omdat ik niemand gesproken had. Het was zeker geen Ysa. Ze mag mij niet en ik mag haar niet. Die ijzige blik die ze iedereen toewerpt en die bemoeizucht van haar, dat is helemaal niets voor mij. Hopelijk was het geen Ysa.
Dan nog beter Truitje. Een meisje waar het woord aardig voor uitgevonden is. Heette ze echt Truitje. Het zal wel, iedereen noemde haar zo. Ik kende haar niet zo, maar ze was altijd en overal, tegen iedereen even vriendelijk. Gewoon aardig dus, niet zo heel speciaal.

Maar wie was Bloesem? Ik kende geen meisje met die naam. Misschien was Bloesem de kikker. Ik kreeg het bericht iets voor dat de kikker over stak. Dat zou betekenen dat als ik de kikker zou gaan kussen, het verandert in een prachtige prinses.
Ik was alleen en voelde me soms eenzaam, dus waarom niet proberen.
Met beiden handen hield ik de kikker vast en bracht haar naar mijn mond. En van mijn mond af. Ik kon een misselijk gevoel niet onderdrukken. Terwijl ik de kikker aanschouwde en dacht dat ik die zometeen zou gaan kussen, voelde ik het eten van afgelopen dag omhoog komen.
Niet denken, gewoon doen. Ik moest er doorheen, want dan zat er een prinses naast me in de auto.
Met dichtgeknepen ogen gaf ik de kikker een zoen.

Vol verbazing keek ik naar haar. “Dus jij bent Bloesem?”
En zo zag ze er ook uit als een Bloesem. D’r haren fel rood. Haar ogen glinsterde in het maanlicht, die door de voorruit van mijn auto scheen. Ik werd er ook een beetje bang voor, dat ze tegen het einde van de lente zou gaan verdorren, zoals echte bloesems ook doen.
Het duurde even voor ze antwoord gaf. Misschien was ze ook zo verbaast dat ze opeens bij mij in de auto zat. Maar uiteindelijk zag ik, hoewel wat aarzelend, haar mond bewegen. Er kwam een luid geluid uit. Iets van “Kwaaak!”
Ik keek verschrikt naar Bloesem, maar naast me zat een gewone kikker. Die kikker bracht ik naar de plek waar hij in mijn auto sprong en daar liet ik hem weer los.

Onderweg naar huis, vroeg ik met nog steeds af wie Bloesem was en waarom die kikker in mijn auto gesprongen was. Het leek zo vreemd. Misschien had ik het gedroomt? Misschien had ik slaap nodig?

Geen opmerkingen:

Een reactie posten